AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor veroorzaken ernstig verkeersongeval met meerdere slachtoffers
Op 15 juli 2024 veroorzaakte verdachte een verkeersongeval op de N386 te Donderen door achterop een stilstaande Opel Astra te rijden. Vier inzittenden van de Opel raakten gewond, waaronder ernstig letsel bij het bijrijdster slachtoffer. Verdachte verklaarde vlak voor de botsing op haar telefoon te hebben gekeken en de stilstaande auto te laat te hebben opgemerkt.
De rechtbank oordeelde dat verdachte zeer onoplettend had gereden en dat haar schuld aan het ongeval wettig en overtuigend bewezen was. Het letsel van het zwaarst getroffen slachtoffer voldeed aan de criteria van artikel 6 WVWPro 1994. Daarnaast werd ook het gevaar en letsel aan de andere inzittenden bewezen verklaard onder artikel 5 WVWPro 1994.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 60 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor drie maanden, waarvan de rijontzegging voorwaardelijk werd opgelegd. Voor het tweede feit werd een taakstraf van 20 uur opgelegd. Verdachte toonde oprechte spijt en had maatregelen genomen om herhaling te voorkomen.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur en een voorwaardelijke rijontzegging van drie maanden wegens het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval met meerdere slachtoffers.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.384114.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door
mr. G.J. Stoeten.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
zij op of omstreeks 15 juli 2024 te Donderen, gemeente Tynaarlo, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Noordeinde (de N386) zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl op de rijstrook vóór verdachte zich een stilstaand en/of voorgesorteerd motorvoertuig bevond,
onvoldoende aandacht te houden bij de wegsituatie en/of het overige verkeer op de weg en/of een op het weggedeelte voor haar stilstaand en/of voorgesorteerd voertuig niet tijdig op te merken, en/of
niet tijdig af te remmen en/of haar voertuig niet tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en overzienbaar was,
als gevolg waarvan zij in botsing is gekomen met het voor haar stilstaande en/of voorgesorteerde motorvoertuig (te weten de Opel Astra, kenteken: [kenteken] ), waardoor een ander genaamd
- [ [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten nekpijn geduid als tendomyogeen en/of een contusie van de thorax(wand) en/of een whiplash, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 15 juli 2024 te Donderen, gemeente Tynaarlo, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Noordeinde (de N386), terwijl op de rijstrook vóór verdachte zich een stilstaand en/of voorgesorteerd motorvoertuig bevond,
onvoldoende aandacht te houden bij de wegsituatie en/of het overige verkeer op de weg en/of een op het weggedeelte voor haar stilstaand en/of voorgesorteerd voertuig niet tijdig op te merken, en/of
niet tijdig af te remmen en/of haar voertuig niet tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en overzienbaar was,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, waardoor een ander genaamd
- [ [slachtoffer 1] enig letsel, te weten nekpijn geduid als tendomyogeen en/of een contusie van de thorax(wand) en/of een whiplash werd toegebracht;
zij op of omstreeks 15 juli 2024 te Donderen, gemeente Tynaarlo, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Noordeinde (de N386), terwijl op de rijstrook vóór verdachte zich een stilstaand en/of voorgesorteerd motorvoertuig bevond,
onvoldoende aandacht te houden bij de wegsituatie en/of het overige verkeer op de weg en/of een op het weggedeelte voor haar stilstaand en/of voorgesorteerd voertuig niet tijdig op te merken, en/of
niet tijdig af te remmen en/of haar voertuig niet tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en overzienbaar was, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd
en/of waardoor (een) ander(en) genaamd
[slachtoffer 2] enig letsel, te weten subdurale (vocht)collecties in/bij de hersen en/of een bloeding tussen de schedel en de hersenvliezen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, en/of
[slachtoffer 3] enig lichamelijk letsel, te weten een gebroken ellepijp/pols werd toegebracht, en/of
[slachtoffer 4] enig psychisch letsel, te weten enig trauma werd toegebracht.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie voor feit 2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van het onder 2 ten laste gelegde, nu dit verwijt volledig samenvalt met hetgeen onder 1 ten laste is gelegd, zodat in strijd met het ne bis in idem-beginsel sprake is van een dubbele vervolging voor hetzelfde feit.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde ziet op aangeefster [slachtoffer 1] , die ernstiger letsel heeft opgelopen, terwijl feit 2 ziet op haar drie gezinsleden, van wie het letsel minder ernstig was en niet voldoet aan de eisen van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Daarom kunnen zij niet in de tenlastelegging van feit 1 worden ondergebracht. In een vergelijkbare strafzaak met meerdere slachtoffers met verschillend letsel heeft de rechtbank in 2025 bewezenverklaard de overtreding van het onder 1 primair tenlastegelegde artikel 6 WVWPro 1994 én het onder feit 2 tenlastegelegde artikel 5 WVWPro 1994.1
Nu in onderhavige zaak verschillende slachtoffers in twee feiten ten laste zijn gelegd, wordt niet tweemaal hetzelfde feit tenlastegelegd en is van schending van het ne bis in idem-beginsel geen sprake. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging van feit 2.
Oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de uiteenlopende aard en ernst van de letsels van de verschillende slachtoffers onder twee verschillende wetsbepalingen valt, te weten artikel 5 respectievelijkProartikel 6 WVWPro 1994. Van dubbele vervolging voor hetzelfde feit en schending van het in artikel 68 vanPro het Wetboek van Strafrecht neergelegde ne bis in idem-beginsel is daarom geen sprake.
Het verweer van de verdediging wordt om deze redenen verworpen. De rechtbank acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging voor feit 2.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 primair en 2. De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair, te weten de overtreding van artikel 6 WVWPro 1994. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Verdachte heeft één verkeersfout gemaakt door de
stilstaande auto voor haar niet op te merken en daar tegenop te rijden. Eén verkeersfout is volgens vaste jurisprudentie niet genoeg voor het bewijs van schuld in de zin van artikel 6 WVWPro 1994. Daarnaast is niet vast te stellen hoe lang het moment van verdachtes onoplettendheid heeft geduurd. Evenmin is er een verklaring in de vorm van een reden of oorzaak gevonden voor de aanrijding. Tot slot kan op grond van het procesdossier niet worden bewezen dat het letsel van mevrouw [slachtoffer 1] voldoet aan de eisen van artikel 6 WVWPro 1994.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 subsidiair en 2 bewezen kunnen worden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. De door verdachte ter zitting van 15 januari 2026 afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven en voor zover inhoudend:
Ik reed op 15 juli 2024 in Donderen in mijn personenauto over de N386. Ik zag op mijn rijstrook een auto voor mij opdoemen en ik ben er meteen achterop geklapt. Ik heb niet geremd, noch uitgeweken.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 augustus 2024, opgenomen op pagina 70 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024304029 d.d. 13 november 2024, voor zover inhoudend als bevindingen van verbalisant [verbalisant] :
Op 15 juli 2024 was ik ter plaatse bij een verkeersongeval. Aldaar heb ik gesproken met de bestuurster [verdachte] die als verdachte kon worden aangemerkt. Na het mededelen van de cautie verklaarde de verdachte dat zij vlak voor het ongeval op haar telefoon had gekeken in verband met de navigatie. Na het kijken op haar telefoon keek ze voor zich en zag ze ineens een stilstaande auto. Ze kon niet op tijd haar voertuig tot stilstand brengen met de aanrijding tot gevolg.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 september 2024, opgenomen op pagina 79 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3]:
Op 15 juli 2024 was ik samen met mijn vrouw, [slachtoffer 1] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ] en onze twee kinderen, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] ] onderweg. Ik bestuurde de auto, een witte Opel Astra. We reden op de weg tussen Vries en Donderen. Op enig moment moest ik linksaf. Ik heb de auto stilgezet. Ik had mijn richtingaanwijzer naar links op dat moment ook al aangezet. Ik hoorde [slachtoffer 1] ineens zeggen: "Goh, die komt er wel heel hard aan rijden", of woorden van gelijke strekking. Ik keek in de binnenspiegel en zag een witte auto aan komen rijden. [slachtoffer 1] zei nog tegen mij: "Die gaat niet remmen". Vervolgens heb ik achterom gekeken en weet dat ik ook nog naar de kinderen heb gekeken. Ik heb nog gezegd: "Nee, nee, nee!" en vervolgens was de klap er al. Volgens mij was het op dat moment ongeveer 16:15 uur.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 september 2024, opgenomen op pagina 83 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1]
Op 15 juli 2024 om ongeveer 15.45 uur zijn we vertrokken en via Vries richting Donderen gereden om naar Norg te gaan. Op een gegeven moment waren we in de buurt van Bunne en moesten we linksaf
slaan. Mijn man moest bij de afslag stoppen. Voor ons reden geen auto's, maar hadden wij wel een aantal tegenliggers. Ook reed er geen verkeer achter ons. Omdat het een smalle weg was moest mijn man dus even wachten. Ik keek in de zijspiegel en zag op een gegeven moment zag dat van achteren een witte auto aan kwam rijden. Deze auto kwam er heel snel aan. Ik heb toen nog tegen mijn man gezegd: "die gaat niet stoppen" Ik hoorde dat mijn man nog riep: "nee, nee, nee!" Toen was de klap.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 augustus 2-24, opgenomen op pagina 72 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige]:
Op 15 juli 2024 omstreeks 16:22 uur was ik onderweg van Roden naar Veeningen. Ik reed op de Noorderveldweg (N386). Ter hoogte van Bunne zag ik op de rijbaan een witte Opel Station staan. Ik zag dat deze stilstond en dat de richtingaanwijzer naar links aan stonden. Kennelijk wilde de auto linksaf slaan. Ik reed deze auto tegemoet.
Ik zag dat de auto voorgesorteerd stond, op een plek waar ik ook stil zou gaan staan om af te slaan. Achter deze witte Opel doemde een witte Dacia op. Ik voelde meteen dat dit niet goed ging komen, ik zag dat de snelheid van de Dacia dusdanig hoog was om op tijd te kunnen stoppen. De afstand tussen de Dacia en de witte Opel was dusdanig klein dat de Dacia niet op tijd zou kunnen stoppen. Mijn gevoel klopte en ik zag dat de Dacia achterop witte Opel botste.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 september 2024, opgenomen op pagina 18 e.v. voor zover inhoudend als bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Incident
Datum: 15 juli 2024, omstreeks 16:22 uur
Locatie: N386 Noordenveldweg, gemeente Tynaarlo
Onderzoek
Op de Noordenveldweg (N386) reden een Dacia en een Opel in dezelfde richting. De bestuurder van de Opel wilde links afslaan en stond voorgesorteerd stil op de rijbaan van de N386. Op enig moment botste de Dacia achter op de stilstaande Opel.
Op verzoek van OC Noord-Nederland, kwamen wij ter plaatse en stelden op maandag 15 juli 2024, omstreeks 16:45 uur, een onderzoek in naar de toedracht van het verkeersongeval.
Voertuig 1
Gegevens betrokken voertuig Soort voertuig: Personenauto Fabrieksmerk: Opel
Type: Astra Sports Tourer+ Kenteken: [kenteken]
Wij zagen dat de N386 Noordenveldweg ter hoogte van hectometerpaal 22.3:
bestond uit 1 rijbaan;
op de plaats van het verkeersongeval een recht wegverloop had;
ter hoogte van het verkeersongeval was verdeeld in 2 rijstroken, die onderling gescheiden werden
door dubbele onderbroken markering.
Wij zagen het volgende:
- de maximumsnelheid bedroeg ter plaatse 80 km/u.
Oorzaak
De oorzaak van het ongeval moet worden gezocht in een gedraging van de bestuurder van de Dacia. Deze botste achter op de stilstaande Opel. Wij hebben geen sporen aangetroffen die erop duiden dat er door de bestuurder van de Dacia is geremd.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal snelheid & impact d.d. 16 september 2024, opgenomen op pagina 58 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant] :
Ik heb onderzoek gedaan naar de snelheid van de Dacia die betrokken was bij een verkeersongeval op 15 juli 2024. De Dacia reed op het moment van botsen vrijwel zeker tussen de 70 en 96 km/u.
8. Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 3] , opgenomen op pagina 115 van voornoemd dossier, opgemaakt op 1 oktober 2024, door dr. [arts] , inhoudende als zijn/haar verklaring:
Uitwendig waargenomen letsel: fractuur () linker pols Geschatte duur van de genezing: enkele weken
Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 15 juli 2024
9. Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 2] , opgenomen op pagina 117 van voornoemd dossier, opgemaakt op 14 oktober 2024, door dr. [arts] inhoudende als zijn/haar verklaring:
Enkele dagen na het ongeval is [slachtoffer 2] opnieuw gezien op de SEH in verband met meer sufheid en braken. Een CT-scan liet subdurale (vocht)collecties zien, geduid als (hemato)hygroom, waarschijnlijk van oudere datum.
10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 juli 2025, opgenomen op pagina 67 van voornoemd dossier, voor zover inhoudend als bevindingen van verbalisant [verbalisant] :
Op woensdag 31 juli 2024 heb ik telefonisch contact gehad met de slachtoffers van de aanrijding. Ik had contact met [slachtoffer 1] . Ik hoorde [slachtoffer 1] voornoemd zeggen dat hun zoontje, genaamd [slachtoffer 2] , een bloeding heeft tussen zijn schedel en hersendelen. Ik hoorde dat dit ook een septurale [de rechtbank begrijpt: subduraal] hematoom wordt genoemd. Ik hoorde haar zeggen dat dit een bloeding is tussen de schedel en het hersenvlies.
11. Een schriftelijk bescheid, te weten een schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] , voorgelezen ter terechtzitting op 15 januari 2026, voor zover inhoudend als haar verklaring:
Sinds het ongeval kamp ik met klachten als duizeligheid, misselijkheid, weinig prikkels kunnen verdragen, hoofdpijn, concentratieverlies, nekpijn, rugpijn, vermoeidheid en soms nog visusklachten. Dit alles ervaar ik elke dag en het fluctueert met het moment.
Activiteiten met de kinderen lukken niet. Sociale activiteiten met vrienden en vriendinnen laat ik aan mij voorbij gaan. Ik kan weinig doen van de dingen die mij als persoon vervullen, zoals dansen, puzzelen, tekenen, lange wandelingen of fotograferen. Ik was genoodzaakt te stoppen met mijn re-integratietraject. Ik moet binnenkort een WIA-aanvraag doen.
12. Een schriftelijk bescheid, te weten een bijlage bij het verzoek tot schadevergoeding getiteld “Onderbouwing schade”, voor zover inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
[slachtoffer 4] heeft weliswaar geen fysiek letsel gehad, maar wel psychisch letsel. Ze heeft veel last van angst en paniek gehad gedurende autoritten, angst voor witte autos en ze bleef alert tijdens de autoritten. Ze heeft hiervoor EMDR gevolgd.
Overwegingen over het bewijs voor feit 1
De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte reed op 15 juli 2024 in de middag in haar personenauto in Donderen op de Noordenveldweg, een weg met twee rijstroken. In die weg bevindt zich een afslag. Voor verdachte op de rijbaan stond de Opel van het gezin [slachtoffers] met ingeschakelde richtingaanwijzer stil, voorgesorteerd om linksaf te slaan. Mevrouw [slachtoffer 1] zag als bijrijder in de zijspiegel de witte auto van verdachte op hen afkomen, zonder dat deze snelheid minderde. Dit vertelde zij haar man, de heer [slachtoffer 2] , die de auto bestuurde. Hij keek eerst in de binnenspiegel en vervolgens achterom, en zag de auto ook naderen. Met een harde klap volgde direct daarop de kop-staart-aanrijding.
Verdachte heeft niet geremd noch uitgeweken, zo heeft zij verklaard. Uit de verkeersongevallenanalyse die de politie van het ongeval heeft gemaakt, is evenmin gebleken dat verdachte heeft geremd. Na de aanrijding heeft verdachte aan de politie verklaard dat zij even voor de aanrijding op haar telefoon op de navigatie keek, weer opkeek en ineens een stilstaande auto voor zich zag. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte de Opel pas vlak voor de aanrijding heeft opgemerkt, toen zij niet meer kon remmen of uitwijken.
Om tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde artikel 6 WVWPro 1994 te kunnen komen, is vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is geweest. Dat betekent in de eerste plaats dat er een causaal verband moet bestaan tussen de gedragingen van verdachte en het ongeval.
Causaal verband
Verdachte is zonder snelheid te minderen met haar voertuig achterop de Opel van het gezin [slachtoffers] gebotst. Van een andere oorzaak voor het ongeval is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank stelt daarom vast dat er sprake is van causaal verband tussen de gedragingen van verdachte en het ongeval.
Mate van schuld
In de tweede plaats moet verdachte ten aanzien van het verkeersongeval een schuldverwijt kunnen worden gemaakt. Schuld in de zin van artikel 6 WVWPro 1994 heeft de betekenis van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Of sprake is van een dergelijke schuld hangt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Wanneer sprake is van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid, kan dit worden gekwalificeerd als zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen. In zijn algemeenheid is niet aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVWPro.2
Zeer onoplettend
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de blik en aandacht van verdachte gedurende enige tijd niet op de weg gericht zijn geweest. Naar haar eigen verklaring keek zij op haar smartphone naar de navigatie, en heeft zij de Opel niet opgemerkt.
Over de duur van de onoplettendheid staat vast dat de heer [slachtoffer 2] en mevrouw [slachtoffer 1] de tijd hebben gehad met elkaar te spreken over het naderen van de auto van verdachte. Getuige [getuige] heeft het ongeval als tegenligger zien aankomen en plaatsvinden.
De rechtbank stelt op basis van deze verklaringen vast dat de stilstaande Opel enige tijd zichtbaar was voor andere verkeersdeelnemers. Ook verdachte had de Opel kunnen zien. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte (aanzienlijk) langer dan een kort moment onoplettend is geweest.
De rechtbank weegt als omstandigheid mee dat verdachte reed op een tweebaansweg waar een maximumsnelheid van 80 km per uur geldt. Een dergelijke weg eist naar algemene ervaringsregel extra oplettendheid van de weggebruikers. Uit de berekening van de door verdachte gereden snelheid volgt bovendien dat zij met of rond deze maximumsnelheid heeft gereden. Ook dat maakte dat van haar extra oplettendheid mocht worden verwacht.
De rechtbank is van oordeel dat voornoemde gedragingen van verdachte, naar hun aard en ernst en onder de omstandigheden waarin deze zijn begaan, zodanig zijn dat verdachte zeer onoplettend heeft gereden en dat verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVWPro 1994.
Letsel van het slachtoffer
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat [slachtoffer 1] als gevolg van het ongeval tot op de dag van de terechtzitting kampt met allerlei lichamelijke klachten. Noch haar normale dagelijkse bezigheden noch haar werkzaamheden heeft zij sindsdien kunnen uitoefenen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dergelijk letsel in juridische zin worden aangemerkt als zodanig (lichamelijk) letsel dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Conclusie over feit 1
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
Conclusie over feit 2
Uit wat hiervoor is overwogen over het rijgedrag van verdachte volgt ook dat zij gevaar op de weg heeft veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVWPro 1994. Als gevolg van haar rijgedrag heeft een aanrijding plaatsgevonden, met verschillende vormen van letsel bij drie inzittenden van de Opel tot gevolg. De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde daarom ook wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
zij op of omstreeks 15 juli 2024 te Donderen, gemeente Tynaarlo, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de N386, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onoplettend, terwijl op de rijstrook vóór verdachte zich een stilstaand en/of voorgesorteerd motorvoertuig bevond,
onvoldoende aandacht te houden bij de wegsituatie en het overige verkeer op de weg en een op het weggedeelte voor haar stilstaand en voorgesorteerd voertuig niet tijdig op te merken, en
niet tijdig af te remmen en haar voertuig niet tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en overzienbaar was,
als gevolg waarvan zij in botsing is gekomen met het voor haar stilstaande, voorgesorteerde motorvoertuig (te weten de Opel Astra, kenteken: [kenteken] ), waardoor een ander genaamd
[slachtoffer 1] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
zij op of omstreeks 15 juli 2024 te Donderen, gemeente Tynaarlo als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de N386, terwijl op de rijstrook vóór verdachte zich een stilstaand, voorgesorteerd motorvoertuig bevond,
onvoldoende aandacht te houden bij de wegsituatie en het overige verkeer op de weg en een op het weggedeelte voor haar stilstaand en voorgesorteerd voertuig niet tijdig op te merken, en
niet tijdig af te remmen en haar voertuig niet tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en overzienbaar was, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt
en waardoor anderen genaamd
[slachtoffer 2] enig letsel, te weten subdurale (vocht)collecties bij de hersen en een bloeding tussen de schedel en de hersenvliezen, en
[slachtoffer 3] enig lichamelijk letsel, te weten een gebroken pols werd toegebracht, en
[slachtoffer 4] enig psychisch letsel, te weten enig trauma werd toegebracht.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
primair overtreding van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
overtreding van artikel 5 vanPro de Wegenverkeerswet 1994
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitieDe officier van justitie heeft gevorderd
- voor feit 1 primair: veroordeling tot een geldboete van 1.500,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid
voor de duur van drie maanden;
- voor feit 2: schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter zake feit 1 subsidiair en feit 2 gepleit voor schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het rapport van de reclassering
d.d. 16 mei 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ernstige aanrijding, met vier slachtoffers tot gevolg. Daarmee heeft zij de veiligheid op de weg en de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden. Verdachte had haar blik en aandacht niet steeds bij de verkeerssituatie op de 80-kilometerweg. Op het moment dat zij weer opkeek, doemde de stilstaande auto van de slachtoffers op. Verdachte is daar zonder te remmen in volle vaart tegenop gereden.
Als gevolg van het ongeval hebben alle inzittenden van de aangereden personenauto lichamelijk of geestelijk letsel opgelopen. De heer [slachtoffer 2] en de twee kinderen zijn inmiddels goed hersteld. Maar tot op de dag van vandaag kan mevrouw [slachtoffer 1] haar normale dagelijkse bezigheden niet of nauwelijks uitoefenen. Haar leven is in één klap radicaal veranderd. Haar toekomstperspectief is nog erg onzeker. Uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring blijkt hoe groot de impact is die het ongeval nog dagelijks op haar en haar gezin heeft.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft uit het dossier en haar verklaring ter terechtzitting de indruk gekregen dat verdachte oprecht spijt heeft van haar handelen, en dat zij zich verantwoordelijk en schuldig voelt voor het ongeval.
Het is duidelijk dat verdachte het ongeval en de gevolgen voor de slachtoffers nooit heeft gewild. Verdachte heeft zich bereid getoond een bemiddelingstraject aan te gaan, mochten de slachtoffers daar behoefte aan hebben. Om de kans op herhaling van een verkeersongeval te verkleinen, heeft verdachte een personenauto aangeschaft met een geïntegreerd navigatiesysteem. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte haar verantwoordelijkheid heeft genomen. Uit het reclasseringsrapport komen geen zorgen naar voren. Verdachte is ook niet eerder met politie en justitie in aanraking gekomen.
Oriëntatiepunten
De rechtbank heeft voor de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Volgens de LOVS-oriëntatiepunten geldt bij het veroorzaken van een verkeersongeval met ernstige schuld in de zin van artikel 6 WVWPro 1994 en
tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden een taakstraf van 120 uren en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 maanden.
Conclusie
Gelet op het feit dat verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen om herhaling te voorkomen en na het ongeval inmiddels 21 maanden zijn verstreken, acht de rechtbank in afwijking van de LOVS-oriëntatiepunten een taakstraf van 60 uren passend.
Een onvoorwaardelijke rijontzegging vindt de rechtbank in het geval van verdachte niet passend, gelet op de voorzorgsmaatregelen die verdachte heeft genomen om de kans op herhaling te verkleinen. Om haar daartoe nog extra te motiveren en gelet op de ernst van het feit zal de rechtbank wel een voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van drie maanden opleggen.
De rechtbank is van oordeel dat voor feit 2 gelet op de ernst van de overtreding met een drietal slachtoffers niet kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel. Voor de strafoplegging heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die doorgaans voor overtreding van artikel 5 WVWPro 1994 worden opgelegd. De rechtbank zal voor feit 2 een werkstraf voor de duur van 20 uur opleggen.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de volgende artikelen:
14a, 14b, 14c, 22c, 22d, en 62 van het Wetboek van Strafrecht en
5, 6, 175, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging ter zake van feit 2.
Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte ter zake van feit 1 tot:
een taakstraf voor de duur van 60 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.
Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van drie maanden.
Bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt verdachte ter zake van feit 2 tot:
een taakstraf voor de duur van 20 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 10 dagen zal worden toegepast.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. J. van Bruggen en
mr. R. Baluah, rechters, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2026.
Mr. J. van Bruggen en mr. L. Lamers zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.