Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 175 Wegenverkeerswet 1994Art. 179 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 Wetboek van StrafrechtArt. 14a Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling bestuurder voor aanrijding voetganger door aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag
Op 12 november 2024 vond op de Stationsweg te Leeuwarden een verkeersongeval plaats waarbij verdachte, rijdend in een Seat Leon, een voetgangster aanreed. Verdachte reed met een snelheid van circa 68 km/u in een zone waar 15 km/u was toegestaan, waardoor hij niet tijdig kon remmen en het slachtoffer raakte. Het slachtoffer liep onder meer een hersenschudding en gescheurde kniebanden op, met tijdelijke verhindering in haar normale bezigheden tot gevolg.
De rechtbank stelde vast dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend had gedragen door niet alleen te hard te rijden, maar ook onvoldoende op het direct voor hem gelegen weggedeelte te letten. De verdediging voerde aan dat slechts één gedraging (te hard rijden) aan verdachte kon worden toegerekend en betwistte de looprichting van het slachtoffer, maar de rechtbank verwierp deze verweren op basis van getuigenverklaringen en forensisch onderzoek.
De rechtbank kwalificeerde het bewezen verklaarde als overtreding van artikel 6 WegenverkeerswetPro 1994 en achtte verdachte strafbaar. Gelet op de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het advies van de reclassering, legde de rechtbank een taakstraf van 40 uur op met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden met een proeftijd van twee jaar.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het subsidiair ten laste gelegde feit en benadrukte dat het letsel niet als zwaar lichamelijk letsel werd aangemerkt, maar wel als tijdelijke verhindering in de normale bezigheden. Het vonnis werd gewezen door drie rechters, waarbij één rechter niet medeondertekende.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden wegens aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag met een te hoge snelheid, waardoor een voetganger werd aangereden.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.176571.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 03 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 februari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P. van der Vliet.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 12 november 2024, te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een personenauto, merk Seat Leon, met kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de Stationsweg, komende vanaf de richting van het station, gaande in de richting van het Zuiderplein, en komende bij een oversteekplaats in die weg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
met een aanmerkelijke, althans een gezien de verkeerssituatie ter plaatse te hoge, snelheid heeft gereden en/of in strijd met het gestelde in artikel 19 vanPro het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld, dat hij verdachte dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg kon overzien en waarover die weg vrij was en/of niet in voldoende mate heeft gelet op het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of met onverminderde snelheid, althans nagenoeg onverminderde snelheid, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig heeft gereden,
waardoor een aanrijding of botsing is ontstaan tussen dat door verdachte bestuurde motorrijtuig en een op de oversteekplaats van die weg aanwezige voetganger, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een hersenschudding met licht traumatische hersenletsel en/of een gescheurde linker knieband en/of een gescheurde linker kruisband en/of een zwaar gekneusde linkerschouder en/of gekneusde ribben aan de linkerzijde en/of diverse blauwe plekken aan beide benen en wonden aan haar hoofd of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair
hij op of omstreeks 12 november 2024 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Seat, type Leon en voorzien van kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, de Stationsweg, heeft gereden met een gezien de omstandigheden en/of de situatie ter plaatse te hoge snelheid, althans niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor de verkeersituatie ter plaatse en/of (vervolgens) een op die weg overstekende voetganger heeft aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit. Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het handelen van verdachte kan worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Verdachte heeft in een shared space gebied met meer dan twee keer de toegestane snelheid gereden. Als gevolg hiervan is vlak buiten de shared space een aanrijding met een voetgangster ontstaan. Het slachtoffer heeft hierbij lichamelijk letsel opgelopen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit omdat geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WegenverkeerswetPro 1994 (verder: WVW).
Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de in de tenlastelegging opgenomen handelingen voortkomen uit één gedraging, namelijk dat verdachte te snel heeft gereden. De raadsman heeft daarbij verwezen naar
een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 december 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:6463). Verder is niet vast te stellen hoe de looprichting van het slachtoffer is geweest. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte en het slachtoffer daarover verschillend hebben verklaard en dat de verklaring van het slachtoffer niet wordt ondersteund door ander bewijs. Het rapport van de VOA hierover is feitelijk onjuist omdat geen van de getuigen heeft verklaard over de looprichting. Tot slot zijn de camerabeelden onduidelijk. Voor het geval de rechtbank oordeelt dat wel sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVWPro heeft de raadsman betoogd dat weliswaar sprake is van lichamelijk letsel, maar dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel omdat een onderbouwing daarvoor ontbreekt. Hoewel het slachtoffer heeft verklaard dat sprake is van tijdelijke verhindering en studievertraging, wordt dit niet verder onderbouwd. Nu dit onvoldoende is kan niet bewezen worden verklaard dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel dan wel tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden en moet verdachte daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat dit feit bewezen verklaard kan worden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 17 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 12 november 2024 was ik betrokken bij een verkeersongeval bij het station in Leeuwarden. Ik heb daarbij iemand aangereden.
Ik reed in mijn Seat Leon richting het Zuiderplein. Ik had stilgestaan voor een zebrapad en trok daarna op. Ineens zag ik het slachtoffer in een flits voor mijn auto. Ik heb toen geremd. Het klopt dat ik te snel reed. Ik had de verkeersborden die de snelheid aangeven, gezien.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanrijding misdrijf d.d. 8 mei 2025, opgenomen op pagina 10 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025099212 d.d. 13 mei 2025, inhoudend als verklaring van verbalisant [verbalisant] :
Personenauto [kenteken] Seat Leon 1.8 Bestuurder [verdachte]
Voetganger [slachtoffer]
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van FO verkeer d.d. 12 november 2024, opgenomen op pagina 18 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
2.1
Wegsituatie
Wij zagen dat de Stationsweg:
de ongevalslocatie bestond uit 1 hoofdrijbaan en een naastgelegen fietspad;
op de plaats van het verkeersongeval een nagenoeg recht wegverloop had. Wij zagen dat de weg tussen de klaviermarkering en de fietsersoversteekplaats een kleine knik naar rechts maakte. De
hoofdrijbaan bestond op de ongevalslocatie uit 2, door middel van een centrale verhoging, gescheiden rijstroken. De volgende omschrijving van de wegsituatie is gezien vanuit de rijrichting van de auto, tenzij anders is vermeld. Wij zagen dat op de plaats van het verkeersongeval links op de Stationsweg onder een geringe hoek de Baljeestraat aansloot.
2.2.1
Reguliere verkeersmaatregelen
Wij zagen het volgende:
de Stationsweg was voor het openbaar verkeer opengesteld;
de maximum snelheid bedroeg op de plaats van het ongeval 30 km/u als gevolg van artikel 62 joPro. Verkeersbord Al (zone) van bijlage 1 van het RVV 1990;
voorafgaand aan de ongevalslocatie bedroeg de maximum snelheid op de Stationsweg 15 km/u als gevolg van artikel 62 joPro. Verkeersbord Al (zone) van bijlage 1 van het RVV 1990;
bij de aansluiting van de Baljeestraat op de Stationsweg was sprake van een uitritconstructie;
voor bestuurders die vanaf het fietspad op de Stationsweg ter hoogte van de Baljeestraat de hoofdrijbaan wilden oversteken werd door middel van borden conform model B6 van bijlage 1 van het RVV 1990 kenbaar gemaakt dat zij verkeer op de hoofdrijbaan voorrang moeten verlenen.
2.6
Zicht
Wij stelden vast dat:
het zicht voor de betreffende bestuurders door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg niet belemmerd werd anders dan de duisternis;
het zicht door aanwezig wegmeubilair, zoals vlaggenmasten en struiken, voor beide betrokken partijen mogelijk enigszins belemmerd zou kunnen worden.
2.7
Veiligstellen videobeelden
Door ons is onderzoek ingesteld naar de aanwezigheid van cameras die het verkeersongeval of de nadering van voertuigen (mogelijk) hebben vastgelegd. Door ons werden op de volgende locatie 2 cameras waargenomen: [adres] , Leeuwarden (restaurant [restaurant] ).
De camerabeelden werden gevorderd. Relevante beelden zijn veiliggesteld. Van de beelden werden een aantal schermafdrukken gemaakt welke in dit pv verwerkt zijn.
6.1.1
Snelheid op basis van camerabeelden
Op basis van de camerabeelden van één van de camera's, werd een indicatieve naderingssnelheid berekend van de auto.
De camera was op genoemde locatie binnen in het pand van restaurant [restaurant] bevestigd. De camera gaf vanuit dit restaurant zicht op een deel van de Stationsweg. Vanuit de camerabeelden werden twee vaste referentiepunten gekozen en deze punten werden met GPS ingemeten om de juiste afstand tussen de punten vast te stellen.
Het eerste referentiepunt is vastgelegd op cameratijdstip 17:41:20. Het tweede referentiepunt is vastgelegd op cameratijdstip 17:41:22. Zowel het eerste als het tweede referentiepunt liggen binnen de zone waar een maximum snelheid geldt van 15 km/u.
Op de camerabeelden is te zien dat de betrokken auto vanaf referentiepunt 1 naar links in het beeld rijdt naar referentiepunt 2. De afstand tussen beide referentiepunten bedroeg ongeveer 32,7 meter. Over deze afstand werd een indicatieve snelheid berekend van 68 km/u (afgerond naar beneden).
6.3
Vermijdbaarheid
Wij zagen op de camerabeelden dat de bestuurder van de auto de rem had bediend op het moment dat de auto ter hoogte van de klaviermarkering reed. Wij zagen dat het derde remlicht licht uitstraalde.
De afstand vanaf de klaviermarkering (waar de auto al aan het remmen is) tot aan het begin van de zone waarin de botsing had plaatsgevonden bedroeg ongeveer 10,5 meter (zie tekening). Bij de gemeten gemiddelde remvertraging (zie hoofdstuk 6.3) van 8,5 m/s2 zou de auto bij een naderingssnelheid van 48 km/u aan het begin van de botsomgeving stil hebben staan. Indien de bestuurder van de auto met zijn voertuig had gereden met een snelheid van 30 km/u dan was bij de gemeten gemiddelde remvertraging van 8,5 m/s2 de remweg 4,1 meter geweest. De auto had op ruim 6 meter vóór de botsomgeving stil kunnen staan. De botsing met de voetgangster had dan voorkomen kunnen worden.
7 Interpretatie bevindingen
7.1
Toedracht
De bestuurder van de auto had gereden op de Stationsweg te Leeuwarden, komende vanuit de richting van de Zuidersingel (westelijke richting) en gaande in de richting van het Zuiderplein (oostelijke richting).
De voetgangster had gelopen op het zuidelijke trottoir van de Stationsweg, komende vanaf het NS-station (westelijke richting) en gaande in oostelijke richting. Ter hoogte van de oversteekplaats ter hoogte van de Baljeestraat was de voetgangster voornemens de rijbaan van de Stationsweg over te steken en haar weg te vervolgen richting Baljeestraat. Op het moment dat de voetgangster zich al enkele meters op de rijbaan van de Stationsweg bevond, werd zij door de voorzijde van de haar van links naderende auto aangereden.
7.2
Oorzaak
De oorzaak van het ongeval is niet te wijten aan een technisch gebrek aan de betrokken auto.
De oorzaak van het ongeval is primair te wijten aan de gedraging van de bestuurder van de auto. Deze bestuurder reed met het door hem bestuurde voertuig sneller dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 15 km/u in het gebied, kort voorafgaand aan de ongevalslocatie (zogenaamde “shared space"). Uit een indicatieve berekening bleek dat deze bestuurder in deze 15 km/u-zone had gereden met een snelheid van 68 km/h, zijnde een overschrijding van de maximum snelheid met 53 km/u.
Door deze snelheidsoverschrijding was het voor de bestuurder van de auto niet meer mogelijk om zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen, nog vóór de voor hem van rechts overstekende voetgangster. Uit een vermijdbaarheidsberekening bleek dat indien de bestuurder van de auto zich aan de maximum snelheid van 30 km/h had gehouden hij ruim 6 meter vóór de botsomgeving tot stilstand had kunnen komen. In dat geval was het ongeval nooit gebeurd. Secundair zou de voetgangster kunnen worden verweten dat zij de rijbaan is overgestoken en daarbij de haar van links naderende auto niet voor heeft laten gaan. Echter dient hierbij te worden opgemerkt dat zij de te hoge snelheid van de naderende auto zeer waarschijnlijk moeilijk kon inschatten en zij de inschatting maakte dat ze kon oversteken voordat de auto bij haar was.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor slachtoffer d.d. [geboortedatum] 2024, opgenomen op pagina 70 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :
Ik kan mij nog herinneren dat ik op 12 november 2024 omstreeks 17:00 uur vanaf mijn stageadres vertrokken ben en door mijn collega bij Sneek Noord afgezet, zodat ik daar de trein naar Leeuwarden kon pakken. Ik denk dat ik de trein van 17:20 uur heb gepakt. Ik kan mij nog herinneren dat ik met de trein op station Leeuwarden aankwam en dat ik mij uitcheckte.
Ik weet nog dat ik zou oversteken, maar ik kan mij niet meer herinneren dat ik de oversteek heb gemaakt. Ik heb ook niet een personenauto aan zien komen. Ik werd wakker in het ziekenhuis. Ik hoorde dat ik een aanrijding had gehad.
V: Hoe gaat nu op dit moment nu verder met jou en wat zijn de gevolgen?
A: Stage, mijn afstudeer jaar van mijn studie kan ik niet afmaken. Mijn werk bij de [bedrijf] kan ik niet meer uitvoeren, dus ik heb nu geen inkomen. Mijn sporten kan ik niet meer uitvoeren.
5. Een geneeskundige verklaring, op 8 januari 2024 ( de rechtbank leest hier verbeterd 8 januari 2025) opgemaakt en ondertekend door [naam 1] namens [naam 2] van het Medisch Centrum Leeuwarden, opgenomen op pagina 92 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend, als haar geneeskundige verklaring:
Medische informatie betreffende: [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 2001. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 12 november 2024 op SEH.
Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel? ja Bewustzijnsverlies direct na letsel, op SEH verbeterd Conclusie SEH
1. licht traumatisch schedel- hersenletsel
2. knie links: letsel binnenste knieband en voorste kruisband
3. verschillende schaafwonden Geschatte duur van.de genezing
6 mnd
6 weken brace, gevolgd door revalidatie met fysiotherapeut
1- 2 weken
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 16 november 2024, opgenomen op pagina 65 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
Op 12 november 2024 bevond ik mij op de Stationsweg te Leeuwarden. Omstreeks 17:40 uur hoorde en zag een ik voertuig rijden met redelijke hoge snelheid. Ik liep ter hoogte van het UWV gebouw en ik zag dat een vrouw de rijbaan overstak. Ik zag dat zij op het midden van deze rijbaan stond toen het eerder genoemde voertuig met snelheid aan kwam rijden. Ik hoorde en zag dat het voertuig op het laatste moment remde. Ik zag dat de vrouw geraakt werd door het voertuig. Ik zag dat de vrouw geraakt werd ter hoogte van de linkerzijde van het voorraam.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 8 april 2025, opgenomen op pagina 75 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van
[getuige 2] :
Ik liep op die 12 november 2024 naar het station van Leeuwarden. Ter hoogte van de Baljeestraat ben ik de Stationsweg richting het UWV gebouw overgestoken. Ik zag een donkergrijze personenauto een wat oudere type auto tegenover het station voor de fietsenoversteek stil stond. Ik weet niet wat voor merk en of type personenauto het was. Deze auto stond met de neus richting Zuiderplein. Ik hoorde ineens dat die auto heel hoog in zijn toeren draaide en heel veel gas gaf en daarna met hoge snelheid reed.
Ik hoorde vrij vlot daarna piepende banden en maakte daaruit op dat de bestuurder van deze personenauto flink aan het remmen was. Ik hoorde meteen daarna een harde knal.
Bewijsoverwegingen
Op 12 november 2024 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op de Stationsweg in Leeuwarden. Verdachte die in zijn personenauto op de Stationsweg richting het Zuiderplein reed, heeft op de oversteekplaats naar de Baljeestraat een overstekende voetgangster aangereden. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte zich hierbij zodanig in het verkeer heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden.
Schuld in de zin van artikel 6 WegenverkeerswetPro 1994
Van schuld in de zin van artikel 6 WVWPro is sprake indien verdachte ten minste aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gehandeld. Dit is het geval indien verdachte is tekortgeschoten in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid (HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398). Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het bij de beoordeling hiervan gaat om het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dit brengt mee dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Ook uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan niet reeds worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVWPro.
Op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen ter terechtzitting is besproken, stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte was als bestuurder van een auto betrokken bij een aanrijding met een voetgangster. De aanrijding vond plaats op de Stationsweg te Leeuwarden. Vlak voor de ongevalslocatie is een zogeheten shared space gesitueerd, de toegestane maximum snelheid
bedraagt daar 15 km/uur. Op de ongevalslocatie was de toegestane maximumsnelheid 30 km/uur. De ter plaatse geldende snelheden worden aangegeven door middel van verkeersborden. Verdachte heeft verklaard dat hij de verkeersborden heeft gezien. Ook heeft hij verklaard dat hij enkele meters voor de ongevalslocatie voor een zebrapad heeft gewacht en daarna heeft opgetrokken.
Dit wordt bevestigd door de getuige [getuige 2] die een donkergrijze personenauto voor de fietsenoversteek stil zag staan. Deze getuige heeft ook verklaard dat de personenauto daarna veel toeren maakte, veel gas gaf en met hoge snelheid wegreed.
Uit het Forensisch Onderzoek blijkt dat verdachte met het door hem bestuurde voertuig sneller reed dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 15 km/u in het gebied, kort voorafgaand aan de ongevalslocatie. Aan de hand van camerabeelden zijn twee referentiepunten gekozen; de afstand tussen beide referentiepunten bedroeg ongeveer 32,9 meter. Over die afstand werd een indicatieve snelheid berekend van 68 km/u, zijnde een overschrijding van de maximum snelheid met 53 km/u. Door deze snelheidsoverschrijding was het blijkens het forensisch onderzoek niet meer mogelijk om het voertuig tijdig tot stilstand te brengen en de aanrijding te voorkomen. Vlak daarna vond de aanrijding met het slachtoffer plaats.
Verdachte heeft verklaard dat in zijn beleving het slachtoffer van links kwam. De raadsman heeft aangevoerd dat de looprichting van het slachtoffer relevant is voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van schending van artikel 6 WVWPro en dat in het forensisch onderzoek ten onrechte is uitgegaan van het scenario dat het slachtoffer van rechts kwam. In dat verband heeft de raadsman aangevoerd dat getuigen niet hebben verklaard over de looprichting en dat het slachtoffer is geraakt door de linker voorzijde van de auto. Ervan uitgaande dat het slachtoffer van links kwam, zou zij vlak voordat de auto haar zou passeren hebben overgestoken. In dat geval had verdachte nagenoeg geen tijd om te reageren en was de oversteek voor verdachte ook niet te voorzien.
Anders dan de raadsman heeft aangevoerd stelt de rechtbank de looprichting van het slachtoffer aldus vast dat zij vanuit verdachte bezien van rechts kwam. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Het slachtoffer heeft uitvoerig en gedetailleerd verklaard dat zij voorafgaand aan het ongeval vanaf haar stageplek in [plaats] terug naar haar woonplaats [plaats] was gereisd met de trein en hoe zij vanaf het station Leeuwarden richting de Baljeestraat is gelopen, waar bij de oversteekplaats het ongeval heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid en geloofwaardigheid van deze verklaring te twijfelen. Daarnaast heeft getuige [getuige 2] verklaard dat hij zag dat een vrouw op het midden van de rijbaan stond toen hij een voertuig met snelheid aan kwam rijden. Tevens volgt uit het forensisch onderzoek dat verdachte ter hoogte van de klaviermarkering, ongeveer 10,5 meter voorafgaand aan de zone waarin de botsing heeft plaatsgevonden, al aan het remmen was. Het voorgaande past niet bij de lezing van de raadsman dat het slachtoffer, vlak voordat verdachte haar passeerde, van links kwam en dat verdachte daardoor niet tijdig kon reageren.
Uitgaande van bovengenoemde feiten en omstandigheden overweegt de rechtbank als volgt.
Het verkeersongeval heeft plaatsgevonden vlak na een shared space gebied, zijnde een omgeving die vanuit verkeerstechnisch oogpunt bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van weggebruikers vraagt. Dat de wegsituatie om grote voorzichtigheid vraagt, wordt benadrukt door de aanwezigheid van meerdere verkeersborden die de verschillende maximum snelheden aangeven. Verdachte heeft met zijn personenauto in dit gebied gereden met een snelheid van 68 km/u. Hij heeft daarmee zijn snelheid niet aangepast aan de situatie ter plaatse. Het slachtoffer stak enkele meters na het shared space gebied over. Op de plek van de aanrijding gold voor verdachte een maximum snelheid van 30 km/uur.
Verdachte heeft het overstekende slachtoffer, die al halverwege de weg was, niet of in ieder geval niet op tijd, gezien. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte aldus ook niet slechts één gedraging, te weten te snel rijden, kan worden verweten. Immers heeft verdachte ook niet
gelet op het direct voor hem gelegen weggedeelte. Alles afwegende heeft verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat verdachte schuld aan het ongeval heeft in de zin van artikel 6 WVWPro.
Zwaar lichamelijk letsel
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel kunnen de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel als algemene gezichtspunten gelden.
Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat het slachtoffer op 12 november 2024 op de spoedeisende hulp is onderzocht. Er was onder meer sprake van licht traumatisch
schedel- /hersenletsel. De geschatte genezingsduur daarvan was bepaald op zes maanden. Ook had ze letsel aan haar binnenste knieband en voorste kruisband. De geschatte genezingsduur daarvan was bepaald op zes weken, gevolgd door revalidatie. Op 18 december 2024 is het slachtoffer door de politie gehoord. Ze heeft een verklaring afgelegd waarin ze haar letsel heeft beschreven en de gevolgen die het voor haar heeft gehad. Ze kon haar stage en haar studie niet afmaken. Ook kon ze niet meer werken en sporten.
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het letsel en het medisch ingrijpen niet dusdanig ernstig is dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht wel bewezen dat uit het letsel van het slachtoffer tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit, in die zin dat verdachte aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig rijgedrag heeft vertoond, wettig en overtuigend is bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
primair
hij op 12 november 2024 te Leeuwarden, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto, merk Seat Leon, met kenteken [kenteken] , daarmede rijdende over de Stationsweg, komende vanaf de richting van het station, gaande in de richting van het Zuiderplein, en komende bij een oversteekplaats in die weg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, met een gezien de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid heeft gereden en in strijd met het gestelde in artikel 19 vanPro het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld, dat hij verdachte dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en waarover die weg vrij was en niet in voldoende mate heeft gelet op het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen dat door verdachte bestuurde motorrijtuig en een op de oversteekplaats van die weg aanwezige voetganger, waardoor aan een ander, genaamd [slachtoffer] , zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het primair bewezen verklaarde levert op:
Overtreding van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijk ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en aan hem een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. Oplegging van een hoge werkstraf zoals door de officier van justitie is gevorderd is gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS, niet passend. De raadsman heeft verzocht die werkstraf te matigen.
Voor zover de rechtbank tot een veroordeling van het subsidiair ten laste gelegde feit zou komen, zou een geldboete een passende straf zijn.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportage van Reclassering Nederland van 16 december 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van het feit
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden.
Verdachte reed met zijn auto in een shared space gebied veel harder dan de toegestane maximale snelheid waar op dat moment iets verderop het latere slachtoffer de weg overstak. Daardoor is vlak na het shared space gebied een aanrijding ontstaan. Als ten gevolge van het ongeval heeft het slachtoffer letsel opgelopen en is tijdelijke verhindering in haar normale bezigheden ontstaan. Met zijn rijgedrag heeft verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. De rechtbank rekent verdachte dit aan.
Persoon van de verdachte
Naast de ernst van het feit houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit de justitiële documentatie van 8 januari 2026 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Uit de rapportage van de reclassering en de behandeling ter zitting blijkt dat verdachte zijn leven op orde heeft. Hij heeft een woning en een baan. Verdachte is er zich van bewust dat hij een verkeersongeval heeft veroorzaakt. Dat betreurt hij. Uit het procesdossier is de rechtbank gebleken dat op verzoek van verdachte een poging tot mediation is gestart. Dit is niet gelukt. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering merkt nog op dat verdachte schulden heeft en dat hij bij een ontzegging van de rijbevoegdheid zijn baan zal verliezen.
Op te leggen straf
Hoewel de ernst van het feit in beginsel een geldboete en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid rechtvaardigt, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de oriëntatiepunten. De rechtbank heeft hierbij gelet op het feit dat verdachte schulden heeft en zijn rijbewijs nodig heeft om zijn werk te kunnen uitoefenen. Alles afwegende, acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 40 uren in combinatie met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Het voorwaardelijke strafdeel dient als stok achter de deur om te bevorderen dat verdachte blijft nadenken over zijn rijgedrag en zijn verantwoordelijkheid om op een veilige en verantwoorde wijze aan het verkeer deel te nemen.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een taakstraf voor de duur van 40 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast.
Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de duur van zes maanden.
Bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. R.B. Maring en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 03 maart 2026.
Mr. Vreugdenhil is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.