Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 maart 2026 in de zaak tussen
[naam 1 uit woonplaats] , verzoeker
Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de voorzieningenrechter
5 december 2025. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 4 februari 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
4 maart 2026 gelast. Verzoeker betoogt dat het besluit van 4 februari 2026 tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, het feitelijk onmogelijk maakt om uitvoering te geven aan de rechterlijke beslissing.
20 januari 2026. Volgens vaste rechtspraak mag het CBR afgaan op zo’n rapport, nadat is nagegaan of het rapport op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als er concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de rapporten, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren zijn gebracht, mag het CBR hier niet zonder nadere motivering op afgaan. [7]