ECLI:NL:RBOBR:2014:5282
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking Wwb-uitkering wegens niet overleggen gevraagde gegevens
Verzoekster ontving een Wwb-uitkering en werd door verweerder verzocht aanvullende gegevens te overleggen, waaronder bankafschriften van haar minderjarige dochter en een verklaring over verblijfperiodes in het buitenland. Na het niet tijdig aanleveren van deze gegevens, werd haar uitkering opgeschort en vervolgens ingetrokken met terugwerkende kracht per 29 mei 2014.
Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Zij stelde onder meer dat zij de brieven met het verzoek om gegevens niet had ontvangen. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat, gelet op de omstandigheden en verklaringen van de dochter van verzoekster, het aannemelijk was dat verzoekster of haar dochter kennis had genomen van de brieven.
Verder werd geoordeeld dat stukken die in de bezwaarfase alsnog werden ingediend, in beginsel niet in aanmerking worden genomen bij toepassing van artikel 54, vierde lid, Wwb, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat tijdige indiening redelijkerwijs niet mogelijk was. Dit was niet het geval.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de intrekking van de uitkering terecht was en zag geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek werd afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de Wwb-uitkering wordt afgewezen.