De zaak betreft het beroep van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om een WW-uitkering toe te kennen aan een ontslagen gemeentelijke deurwaarder. De deurwaarder werd ontslagen wegens herhaaldelijk declareren van niet-geconsumeerde lunches, declaraties binnen een straal van 1 km van het stadhuis en het indienen van ingepakte maaltijden als lunches. Dit werd aangemerkt als ernstig plichtsverzuim.
De werkgever had de deurwaarder geschorst en een extern onderzoek laten uitvoeren. Na een hoorzitting werd de disciplinaire maatregel van ontslag opgelegd. De deurwaarder maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het ontslag, dat door de rechtbank werd afgewezen. Vervolgens vroeg de deurwaarder een WW-uitkering aan, die aanvankelijk werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid, maar later werd toegekend na bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat hoewel het ontslag terecht was opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim, de werkgever niet voortvarend genoeg had gehandeld. De periode tussen het onderzoeksrapport en het besluit tot ontslag was te lang zonder voldoende onderbouwing. Hierdoor ontbrak de subjectieve dringende reden voor ontslag, waardoor de werkloosheid niet verwijtbaar was. Het beroep van de gemeente werd ongegrond verklaard.