Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[naam 1],
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2],
[gedaagde sub 3],
[gedaagde sub 4],
[gedaagde sub 5],
[gedaagde sub 6],
[gedaagde sub 7],
1. De procedure
2.De schadeloosstelling
- De rechtbank heeft in haar vonnis van 22 oktober 2014, gewezen naar aanleiding van het verzoek van [gedaagden] om de deskundigen te vervangen, een onjuist criterium gehanteerd. De rechtbank heeft immers overwogen dat er geen objectieve grond is om aan te nemen dat deskundigen hun werk niet zonder vooringenomenheid kunnen verrichten. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 6 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:523) is het criterium of de vrees/twijfel dat een deskundige niet objectief is, objectief gerechtvaardigd is. Naar de mening van [gedaagden] is het objectief vast te stellen dat directe of indirecte betrokkenheid bij een vergelijkingstransactie het oordeel kan vertroebelen.
- Deskundigen zijn niet zorgvuldig geweest in hun onderzoek. Deskundigen hebben ten behoeve van het conceptrapport geen althans te weinig onderzoek gedaan naar relevante transacties en overige marktgegevens in het gebied. [gedaagden] hebben relevante transacties aangedragen. Deze transacties zijn vervolgens naar de mening van [gedaagden] niet op de juiste waarde geschat. De daarin versleutelde voordelen zijn ten onrechte buiten beschouwing gelaten.
- De deskundigen volstaan ten onrechte met een waardering op basis van de comparatieve methode. Deze methode geeft in het onderhavige geval door de vele onzekerheden slechts een globale indicatie. Volgens [gedaagden] hadden deskundigen minst genomen een residuele berekening dienen te maken ter validatie van de globale gegevens die voortvloeien uit de comparatieve methode. Waarom dat niet is gebeurd, is voor [gedaagden] volstrekt onbegrijpelijk.
- De deskundigen onderkennen dat er rond de peildatum diverse verkopen hebben plaatsgevonden van bouwrijpe grond. Deskundigen achten deze transacties echter niet geschikt als referentie, omdat het gaat om bouwrijpe grond. [gedaagden] zijn van mening dat, als deze transacties gecorrigeerd worden door daar de exploitatiebijdrage van € 125,00 in [naam 2] van af te trekken, deze transacties wel vergelijkbaar zijn.
- Volgens mededeling van de directeur [woonplaats 3] -Nederland van één der grotere bouwende ontwikkelaars van Nederland aan de raadsman van [gedaagden] zou zijn bedrijf nu tussen de € 150,00 en € 200,00 per m² betalen voor grond in een nagenoeg afgeronde woonwijk, waarbij de exploitatiebijdrage € 125,00 bedraagt en de gemeente verkoopt voor € 320,00.
- De deskundigen hebben miskend dat [gedaagden] , de onteigening weggedacht, tot zelfrealisatie gekomen waren. Een overheid zonder onteigeningsinstrument zou namelijk met [gedaagden] tot een vergelijk gekomen zijn over een ruiling en vervolgens zouden [gedaagden] al dan niet in samenwerking met een aannemer zelf hebben zorggedragen voor woningbouw.
- De deskundigen hebben bij de waardebepaling geen rekening gehouden met een aantal op geld waardeerbare “bijkomende” voordelen die aan anderen zijn geboden.
- Anders dan deskundigen lijken aan te nemen dient het uitwerkingsplan “ [naam 2] ” weggedacht te worden. Dat plan geeft immers slechts de planologische onderbouwing van het werk waarvoor onteigend wordt. Als voorafgaand concreet plan kan het globale plan “ [naam 3] ” gelden, maar bijvoorbeeld ook de Structuurvisie Plus [woonplaats 1] / [woonplaats 3] . Zoals blijkt uit de toelichting bij het uitwerkingsplan “ [naam 2] ” maakt het plangebied van dit uitwerkingsplan deel uit van de volgens die visie geplande woningbouw in [woonplaats 1] - [woonplaats 3] .
- De deskundigen maken een vergelijking met de prijs die de gemeente rond de peildatum hanteerde in het aangrenzende plan [naam 12] ad € 45,00 per m². Deskundigen menen dat de door hen voor het onteigende gevonden prijs van € 53,00 per m² in een redelijke verhouding staat tot die prijs, gezien het feit dat het bestemmingsplan [naam 12] toen nog niet was vastgesteld en de gronden in dat gebied nog niet aan snee waren. Volgens de deskundigen rechtvaardigen die omstandigheden per peildatum het aangegeven prijsverschil. Naar de mening van de gemeente zijn dit echter omstandigheden die op basis van artikel 40c Onteigeningswet geëlimineerd hadden moeten worden.
- De deskundigen onderbouwen de door hen getaxeerde forse afwijking van de in de eerdere onteigeningsprocedure gevonden waarde voorts met een verwijzing naar de transacties met [naam 8] en [naam 9] . De deskundigen zeggen het eens te zijn met door de gemeente daartegen ingebrachte bezwaar dat de situatie van [naam 8] en [naam 9] anders is dan die van [gedaagden] , omdat eerstgenoemden anders dan [gedaagden] wel met succes een beroep op zelfrealisatie konden doen, maar corrigeren hun berekeningen niet. In de visie van de gemeente ondersteunen de transacties [naam 9] en [naam 8] de taxatie van de gemeente van de waarde van ruwe bouwgrond ad