Conclusie
1.Procesverloop
nietmoet worden geëlimineerd, in rov. 2.7.4 geoordeeld:
3.Bespreking van het middel
subklacht 1aheeft de rechtbank miskend dat voor eliminatie van het bouwrijp maken van de grond slechts plaats is indien de bebouwing door de onteigenende partij is dan wel wordt uitgevoerd in het kader van het werk waarvoor onteigend wordt; er dient sprake te zijn van een ‘overheidswerk’, een werk dat de overheid voor eigen rekening en risico uitvoert. De klacht beroept zich in dit verband op het arrest
Arnhem/d’Ancona(HR 21 november 1962, NJ 1963/56) en op de in HR 5 september 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AI0871, NJ 2004/385,
’s-Gravenhage /[...] c.s., rov. 3.7.3) aangehaalde wetsgeschiedenis van de Onteigeningswet (Kamerstukken II 1980/81, 15 978, nr. 6, p. 11-12). Betoogd wordt dat het bouwrijp zijn – ook al is het bouwrijp maken geschied ter realisering van het plan waarvoor onteigend is – niet op grond van art. 40c Ow bij het bepalen van de waarde van het onteigende moet worden weggedacht, nu het aankomt op het bouwrijp maken ten behoeve van uitgifte aan derden ter uitvoering van de woningbouw ter realisering van het plan, en omdat anders afbreuk zou worden gedaan aan vergoeding van de werkelijke waarde overeenkomstig art. 40b lid 2 Ow, aangezien de fictieve koper rekening zal houden met het gegeven dat het perceel feitelijk bouwrijp is en op de peildatum de woningbouw in het plangebied reeds nagenoeg is voltooid.
subklacht 1baan dat de rechtbank op ondeugdelijke gronden in navolging van de deskundigen buiten beoordeling heeft gelaten, de zijdens de erven aangedragen vergelijkingstransacties met betrekking tot bouwrijpe grond in de omgeving (die op een aanmerkelijk hoger niveau liggen dan die van de deskundigen waarin ruwbouwgrond als uitgangspunt is gehanteerd) en haar oordeel om die reden niet deugdelijk met redenen heeft omkleed.
klacht 2, heeft de rechtbank miskend dat het gegeven dat de gemeente de grond bouwrijp heeft gemaakt niet (zonder meer) met zich brengt dat het onteigende (slechts) te waarderen zou zijn als bouwgrond met een onherroepelijke woonbestemming, nu de woningbouw geen overheidswerk betreft.
Warmenhoven/Achtkarspelen(1960) kwam de onteigende met succes op tegen de door de rechtbank bij de waardering van het onteigende toegepaste eliminatie van de invloed van de door de gemeente ten behoeve van de ontsluiting van de in het uitbreidingsplan gelegen gronden aangebrachte verbeteringen aan de Parklaan te Buitenpost (aanleg van kwikverlichting en een diepriool). Uw Raad oordeelde:
een bepaald werk op een bepaald perceelin het uitbreidingsplan maar geschiedt om
de bebouwing van de verschillende gronden in het uitbreidingsplanmogelijk te maken.
Almelo/Veneman(1961) had de rechtbank rekening gehouden met de meerwaarde die het onteigende gekregen had door de verharding van de Schuttermansweg, waaraan het onteigende perceel lag. Uw Raad verwierp de daartegen door de gemeente Almelo gerichte klachten en overwoog, conform het arrest Warmenhoven/Achtkarspelen, dat:
Helmond/Van Bree(1961). De gemeente Helmond kwam op tegen het oordeel van de rechtbank dat rekening moest worden gehouden met de waardevermeerderende invloed van de tot stand gekomen werken ter ontsluiting van de in het uitbreidingsplan vallende gronden. Met succes. Uw Raad herhaalde het hiervoor geciteerde oordeel uit Almelo/Veneman in ietwat verzwakte vorm:
aldus opgezet werkplan bestaat en continu door de Gemeente wordt uitgevoerd zodanig dat de gestelde samenhang tussen de ontsluitingswerkzaamheden en de verdere realisering van het uitbreidingsplan voor geïnteresseerden kenbaar is, zouden volgens het arrest van Uw Raad de ontsluitingswerkzaamheden moeten worden geëlimineerd.
Arnhem/d’Ancona(1962), het arrest waarop het middel een beroep doet, ging het over twee al dan niet te elimineren waardeverhogende omstandigheden, nl. (1) de (tot stand gekomen) bebouwing van gronden gelegen in de nabijheid van de onteigende percelen en (2) de aanleg door de onteigenaar van enkele grote wegen die de verdere ontsluiting van de in het complex gelegen gronden aanzienlijk vereenvoudigden.
Emmen/Luchjenbroers(1963) had de rechtbank de te onteigenen grond als bouwrijp gewaardeerd omdat die ontsloten werd door de verharding van de Haagjesweg en de aanleg van de Weden. De gemeente Emmen betoogde dat die ontsluitingswerkzaamheden moesten worden weggedacht zodat het onteigende als ruwe bouwgrond moest worden gewaardeerd. Uw Raad verwierp het cassatieberoep van de gemeente omdat de rechtbank uit het deskundigenadvies had kunnen afleiden
Roermond/Timmermans(1965) ging de strijd over de vraag of de Burgemeester Joostenlaan moest worden weggedacht. Die was volgens de gemeente Roermond aangelegd in het kader van de realisatie van het uitbreidingsplan en derhalve ten behoeve van hetzelfde werk als waarvoor thans onteigend werd. Uw Raad wees deze redenering af met de volgende overweging:
verschillende werkenpleegt te omvatten.
Assen/Pelinck(1965) bouwde Uw Raad voort op Roermond/Timmermans en zette hij een ferme stap. De rechtbank had de hoofdregel toegepast en rekening gehouden met de verharding van het Vredenveldse pad, die evenwel volgens de gemeente Assen geschied was teneinde de in het uitbreidingsplan ‘Sluisdennen’ gelegen grond te ontsluiten en bouwrijp te maken. Het vonnis werd vernietigd. In het arrest is uiteen gezet waaraan te denken valt bij de reeds in Warmenhoven/Achtkarspelen en Almelo/Veneman bedoelde ‘bijzondere gevallen’ die in uitzondering op de hoofdregel tot eliminatie leiden. Uw Raad overwoog:
complex van gronden in een uitbreidingsplan(thans: in een bestemmingsplan) ter realisering van dat plan gaat verwerven en zo nodig onteigenen teneinde die gronden bouwrijp te maken
en als bouwrijpe grond aan gegadigden te verkopen. [20] Het bouwrijp maken is dan, inclusief het aanleggen of verbeteren van ontsluitingswegen, (naar ik begrijp) een werk, en kan zeer wel een groter werk zijn dat ook omvat hetgeen de gemeente op het onteigende tot stand gaat brengen, in welk geval eliminatie behoort te volgen.
Nelemans/Zevenbergen(1967). In cassatie stond ter discussie of de rechtbank terecht de Laan van Zevenbergen en de Oranjelaan had geëlimineerd bij de waardebepaling van de onteigende 1,7 ha (voor woningbouw bestemde) landbouwgrond. Uw Raad oordeelde
Heringa/Renkum(1972) ging het om volgens een raadsbesluit van de gemeente Renkum van 18 november 1964 uitgevoerde verbreding van de Kasteelweg en aanbrenging van riolering in de Kasteelweg en de Van den Molenallee. Onteigend werd ten behoeve van flatbouw conform een bestemmingsplan uit 1967, goedgekeurd door Gedeputeerde staten in 1969. In 1964 gold voor het onteigende nog een uitbreidingsplan in onderdelen uit 1952, dat voor het onteigende voorzag in bebouwing met vrijstaande woningen of met woningen twee onder één kap. De rechtbank hield rekening met de waardeverhogende invloed van de verbeteringen van de Kasteelweg en de Van der Molenallee, waartegen de gemeente in cassatie opkwam. De Advocaat-Generaal mr. Ten Kate achtte, verwijzend naar het arrest Nelemans/Zevenbergen, één van de door de gemeente hiertegen klachten gegrond. Uw Raad volgde mr. Ten Kate niet en oordeelde:
Koelewijn/Schijndel(1985) ging het om een onteigening van 1030 m² van een siertuin bij het woonhuis van Koelewijn ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan ’Boschweg Noord-Oost 1974’, welk plan voorzag in de bouw van twee woningen onder één kap op het onteigende. De rechtbank hield geen rekening met de waardevermeerderende invloed van de langs het onteigende liggende Ranonkelstraat, voor de aanleg waarvan al eerder, in 1973, een stuk van Koelewijns siertuin was onteigend onder vigeur van het voorgaande bestemmingsplan Boschweg Noord-Oost van 1963. Naar het oordeel van de rechtbank maakte de aanleg van die straat deel uit van het werk waarvoor onteigend was. Uw Raad verwierp (contrair aan de conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker, zie nr. 3.2.5) de door Koelewijn hiertegen gerichte klachten. Uw Raad oordeelde dat de rechtbank niet blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen
bebouwingals overheidswerk, maar laat zich zeer wel aldus interpreteren (zie met name de laatste volzin van het citaat) dat het door de gemeente bouwrijp maken als deel van (of een werk dat verband houdt met) het werk waarvoor onteigend wordt, wel degelijk moet worden geëlimineerd.
bebouwingvan gronden in de nabijheid van het onteigende, zoals in 1962 beslist in Arnhem/d’Ancona. Uw Raad heeft in 2003 in de zaak Den Haag/[...], [24] waarin de rechtbank de invloed van de in de naaste omgeving van het onteigende door een ander dan de gemeente gerealiseerde woningbouw niet elimineerde (bij de bepaling van de voor de schadeloosstelling relevante bedrijfsresultaten van de onteigende), de rechtspraak van het arrest Arnhem/d’Ancona heroverwogen. Uw Raad bleef echter, onder verwijzing naar de hierboven in 3.18 geciteerde [25] passage uit de parlementaire geschiedenis van art. 40c, bij die rechtspraak. [26]
verschillende werken op de in het plan gelegen gronden pleegt te omvatten, zodat niet zonder meer ‘de verwezenlijking van het uitbreidingsplan’ kan gelden als het werk waarvoor onteigend wordt, op de achtergrond geraakt. [31] Overeind blijft evenwel dat Uw Raad nog steeds het bouwrijp maken aanmerkte als
deel uitmakend van het werk waarvoor onteigend wordt. Als dit deel door de onteigenaar (of een ander overheidslichaam) wordt verricht hebben we mijns inziens (zo al niet met één van de werken die de realisering van een bestemmingsplan pleegt te omvatten zoals bedoeld in Roermond/Timmer-mans) minst genomen te maken met een
overheidswerk dat in verband staat met het werk waarvoor onteigend wordtals bedoeld in art. 40c, aanhef en onder 2° Ow.
planbestemmingenmoesten worden geëlimineerd. Dat mag dus niet, als de bebouwing van het onteigende waarmee die bestemming wordt gerealiseerd geen overheidswerk is. In de onderhavige zaak gaat het echter niet om de al-of-niet eliminatie van planbestemmingen, maar om al-of-niet eliminatie van reeds door de overheid uitgevoerde voorbereidingswerkzaamheden die deel uitmaken van (of: in verband staan met) de verwezenlijking van het bestemmingsplan. Het arrest De Meijer en Goense/Zeeland leert dat de uitvoering van voorbereidingswerkzaamheden door de overheid niet meebrengt dat de hele realisering van het bestemmingsplan als overheidswerk heeft te gelden. Het omgekeerde geldt evenzeer: dat de bebouwing gerealiseerd wordt door niet-overheid brengt niet zonder meer mee dat alle werken ter realisering van het bestemmingsplan als niet-overheidswerken moeten worden aangemerkt.
plannenvoor het ontsluiten en bouwrijp maken van het complex waarvan het onteigende deel uitmaakt in een groot deel van de Titel IV-onteigeningen relevant zijn bij de bepaling van de schadeloosstelling, waardoor de in constante rechtspraak toegepaste waardering als ‘ruwe bouwgrond’ goeddeels (en m.n. in de gevallen van ontwikkeling door gemeenten langs de weg van ‘actieve grondpolitiek’) onderuit gehaald wordt. Dat lijkt mij geen verbetering. Naar mijn mening pleit de redelijkheid waarop de eliminatieleer stoelt, [33] ervoor om de onteigende niet te laten profiteren van de plannen voor overheidswerken die een complex geschikt moeten maken voor ontwikkeling conform het bestemmingsplan, ongeacht of de bebouwing al of niet door de overheid tot stand zal worden gebracht.
te elimineren overheidswerkenzijn ook indien de bebouwing door niet-overheid wordt gerealiseerd. De klachten van het middel acht ik dan ook ongegrond.