ECLI:NL:RBOBR:2015:6981
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bovenwettelijke uitkering defensie bij bereiken 65 jaar geen verboden leeftijdsdiscriminatie
Eiser, geboren in 1960, kreeg een bovenwettelijke uitkering toegekend op grond van het BWDEF na zijn eervol ontslag wegens overtolligheid. Hij stelde dat de uitkering ten onrechte eindigt bij het bereiken van 65 jaar, waardoor hij een inkomensgat ervaart door de stijgende AOW-leeftijd. Eiser voerde aan dat dit onderscheid op grond van leeftijd maakt en in strijd is met fundamentele rechtsbeginselen en anti-discriminatiewetgeving.
De rechtbank onderzocht de toepasselijkheid van het BWDEF, waarin de aansluitende uitkering is gekoppeld aan de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar zoals bepaald in het Bard. De rechtbank stelde vast dat binnen de homogene groep die voldoet aan de voorwaarden van het BWDEF geen onderscheid wordt gemaakt en dat het beroep op verboden leeftijdsdiscriminatie faalt.
Verder wees de rechtbank het beroep op het vertrouwensbeginsel en de hardheidsclausule af, omdat geen bijzondere omstandigheden of ondubbelzinnige toezeggingen waren gebleken. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet, omdat het ging om regelgeving van verschillende overheidsinstanties.
De rechtbank erkende het bestaan van het AOW-gat, maar stelde dat dit buiten haar toetsingskader valt en dat compensatie via een sectorakkoord mogelijk is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het beëindigen van de bovenwettelijke uitkering bij 65 jaar wordt ongegrond verklaard.