Eiser kreeg een boete opgelegd van €1.017,85 wegens het niet volledig naleven van zijn inlichtingenplicht onder de Wet werk en bijstand (Wwb). Verweerder stelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde over de herkomst van contante stortingen en bankafschriften van een Marokkaanse bankrekening niet overlegde.
Eiser betwistte de schending primair en voerde subsidiair aan dat verweerder hem onvoldoende had geïnformeerd over zijn plichten. De rechtbank ging uit van eerdere uitspraken waarin was vastgesteld dat eiser de inlichtingenplicht had geschonden en dat verweerder daarom een boete mocht opleggen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de boete terecht had vastgesteld op 25% van het benadelingsbedrag vanwege verminderde verwijtbaarheid, mede doordat verweerder eigen handelen had meegewogen. Eiser had niet voldaan aan de informatieverzoeken en zijn persoonlijke omstandigheden rechtvaardigden geen vrijstelling van verwijtbaarheid.
De stelling van eiser dat hij verplicht was onbetaald te werken en dat dit een straf zou zijn, werd niet gevolgd. Ook het argument dat verweerder niet was benadeeld, maakte geen verschil. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.