Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 november 2016 in de zaken tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
3 mei 2016 ongegrond verklaard.
Overwegingen
9 juli 2015 gerevalideerd. Vanaf 10 juli 2015 verbleef eiser weer thuis of bij familie.
€ 14.862,32 en ziet op de periode van 9 juni 2015 tot en met 21 juli 2015. Deze factuur betreft diverse medische handelingen waaronder operaties.
Zaak SHE 16/799: bestreden besluit 1 van 2 februari 2016.
Blijkens artikel 6.4.1., vierde lid, van de Regeling Zorgverzekering, is door de wetgever de bewuste keuze gemaakt dat zorgkosten die het saldo overstijgen, voor maximaal twee kalenderjaren meegenomen kunnen worden. Hierdoor is het mogelijk dat er kosten overblijven na het verstrijken van twee kalenderjaren. Deze komen voor eigen rekening van de gemoedsbezwaarde. De Pw dient zich bij die keuze aan te sluiten.
Zaak SHE 16/1703: bestreden besluit 2 van 3 mei 2016
8 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1952) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
5 januari 2016 heeft eiser bijzondere bijstand gevraagd voor ambulancekosten ontstaan op
9 juni 2015 welke op 28 december 2015 aan eiser zijn gefactureerd.
16 december 2015. Eiser heeft weliswaar nog gerevalideerd tot 10 juli 2015 maar eiser heeft geen (medische) stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij door zijn medische situatie niet in staat was om eerder dan in december 2015 de aanvragen in te dienen of om bij verweerder melding te maken van de kosten. Naar het oordeel van de rechtbank moet dan ook, mede gelet op het ontbreken van (medische) stukken waaruit het tegendeel blijkt, worden aangenomen dat eiser vanaf 10 juli 2015 in staat was om zelf bedoelde aanvragen in te dienen dan wel om dat door derden te laten doen. Dat leidt tot de conclusie dat, hoewel verweerder ten onrechte geen bijzondere omstandigheden aanwezig heeft geacht, verweerder kan worden gevolgd in het standpunt dat bedoelde aanvragen te laat zijn ingediend.
10 november 2015 is een zelfstandig besluitonderdeel van het bestreden besluit 2 van
3 mei 2016. Tegen dat besluitonderdeel is door eiser, gelet op de expliciete vermelding in het beroepschrift van 1 juni 2016, niet opgekomen in dat beroepschrift. De conclusie moet dan zijn dat er door eiser niet op 1 juni 2016 beroep is ingesteld tegen genoemd besluitonderdeel. Met het indienen van de beroepsgronden op 28 juni 2016 heeft eiser weliswaar alsnog beroep ingesteld tegen dat besluitonderdeel, maar dit beroep is niet ingesteld binnen de voor het instellen van beroep geldende termijn van zes weken welke eindigde op 22 juni 2016, er van uitgaande dat het besluit van 3 mei 2016 is verzonden op 11 mei 2016. Nu (gemachtigde van) eiser, ook nadat hier ter zitting van de rechtbank expliciet naar is gevraagd, geen omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht, moet het beroep tegen het besluit van 3 mei 2016, voor zover dat ziet op het besluitonderdeel waarbij het bezwaar tegen het primaire besluit van 10 november 2015 niet-ontvankelijk is verklaard, niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat de rechtbank de gemachtigde van eiser bij brief van 1 juni 2016 - abusievelijk - heeft verzocht de gronden tegen bedoeld besluitonderdeel toe te sturen, acht de rechtbank weliswaar betreurenswaardig, maar leidt niet tot een ander oordeel.