ECLI:NL:RBOBR:2016:923
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Onvoorwaardelijk ontslag wegens ernstig plichtsverzuim door niet melden vriendschappelijke relatie met gedetineerde
Eiser was werkzaam als Zorg Behandel Inrichtingswerker bij de penitentiaire inrichting Vught en onderhield vriendschappelijk contact met een persoon die meerdere gevangenisstraffen had uitgezeten en opnieuw gedetineerd was op verdenking van een liquidatie. Verweerder legde eiser onvoorwaardelijk ontslag op wegens ernstig plichtsverzuim, omdat eiser deze relatie niet had gemeld aan het bevoegd gezag, wat volgens de Gedragscode Dienst Justitiële Inrichtingen verplicht is.
Eiser betoogde dat hij niet op de hoogte was van de circulaire omtrent ongewenste privécontacten en dat het plichtsverzuim hem niet kon worden toegerekend. Tevens stelde hij dat verweerder had kunnen volstaan met een voorwaardelijke straf. De rechtbank oordeelde dat eiser zich bewust had moeten zijn van de meldplicht en dat het niet melden van deze relatie op zichzelf al ernstig plichtsverzuim oplevert.
De rechtbank verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat een collega slechts kort contact had gehad met de betrokkene, terwijl eiser intensief contact onderhield. Ook het beroep op onbekendheid met de circulaire faalde omdat deze vooral betrekking had op contacten met leden van een 1%-motorclub, hetgeen niet het primaire verwijt was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag werd als niet onevenredig beoordeeld gezien het belang van integriteit en veiligheid binnen de penitentiaire inrichting.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het onvoorwaardelijk ontslag wegens ernstig plichtsverzuim wordt ongegrond verklaard.