ECLI:NL:RBOBR:2018:1015
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling woningkarakter bedrijfspand met bovenwoning voor OZB-heffing
Eiseres kocht in 2014 samen met een zakenpartner een bedrijfspand met bovenwoning. Voor het belastingjaar 2016 werd het pand door verweerder ten onrechte als niet-woning aangemerkt, ondanks dat eiseres de bovenwoning bewoonde. De kern van het geschil was of het bedrijfsdeel als woning of als niet-woning moest worden aangemerkt.
De rechtbank stelde vast dat de WOZ-waarde van het woondeel 62,5% van de totale waarde bedroeg en dat het bedrijfsdeel hoofdzakelijk privé werd gebruikt. Eiseres had het bedrijfsdeel in 2014-2015 verbouwd en geschikt gemaakt voor bewoning, en gebruikte het niet bedrijfsmatig. Verweerder kon dit niet ontkrachten, mede omdat er geen feitelijke vaststelling was van de situatie op 1 januari 2016.
Op grond van artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet moet een pand als woning worden aangemerkt als ten minste 70% van de WOZ-waarde aan woondoeleinden kan worden toegerekend. De rechtbank concludeerde dat dit aandeel was bereikt door de toerekening van het bedrijfsdeel aan wonen. Daarom vernietigde de rechtbank de aanslag OZB gebruikersheffing en verminderde de aanslag eigenarenheffing naar het lagere woningtarief.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. De uitspraak werd gedaan door rechter Rijnbeek op 8 maart 2018 te 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het pand wordt als woning aangemerkt, aanslag gebruikersheffing vernietigd en eigenarenheffing verminderd naar woningtarief.