Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 april 2019 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
Procesverloop
Overwegingen
Het extreem lage waterverbruik van eiseres rechtvaardigt de veronderstelling dat zij niet haar hoofdverblijf heeft in haar woning. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:78. Gelet op voornoemde uitspraak is het aan eiseres om het tegendeel aannemelijk te maken. Hierin is zij volgens verweerder niet geslaagd, haar verklaringen over het lage waterverbruik zijn niet afdoende. Voorts blijkt uit het zeer lage gas-en elektriciteit-verbruik, (hierbij verwijst verweerder naar een uitspraak van de CRvB van 5 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4216), het proces verbaal van brigadier [brigadier] , de bevindingen tijdens het huisbezoek en de eigen verklaring van eiseres, dat eiseres in de te beoordelen periode feitelijk niet heeft verbleven op het uitkeringsadres. Tijdens het huisbezoek is gebleken dat de eerste etage, kaal, leeg en onbeschilderd was, er geen vloerbedekking lag, geen wasmachine en droger aanwezig waren, geen etenswaren aanwezig waren en dat er nauwelijks kleding en verzorgingsproducten in de woning lagen. De meest recente post dateerde van 7 maanden geleden. Uit de verklaringen van eiseres en haar zus, dat eiseres overdag altijd bij haar vader is, daar eet en ook doucht, blijkt volgens verweerder dat zij het zwaartepunt van haar leven niet heeft op het uitkeringsadres. Ook de stelling dat zij in verband met ziekte veel en langdurig van huis was, is niet afdoende om het lage verbruik te verklaren. In dit verband verwijst verweerder naar een uitspraak van de CRvB van 24 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1254. Dat eiseres stelt dat zij door tijd- en geldgebrek niet toekwam aan het opknappen en inrichten van haar woning, volgt verweerder niet. In dit verband wordt verwezen naar een uitspraak van de CRvB van 6 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3398. Hierbij acht verweerder de bevindingen van het huisbezoek van belang.
Overwegingen naar aanleiding van het bezwaarschriftingaat op het primaire besluit I (7 mei 2014). Voorts wijst eiseres op de uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2014. Weliswaar heeft de voorzieningenrechter slechts een voorlopig oordeel gegeven over de periode van 1 februari 2014 tot en met mei 2014, echter de feiten die aan de intrekking en terugvordering ten grondslag liggen zijn hetzelfde als die de voorzieningenrechter heeft beoordeeld aangaande de beëindigingsperiode. Eiseres wijst op rechtsoverweging 10 van de uitspraak van de voorzieningenrechter en voert tevens aan dat zij voor haar lage energieverbruik een aannemelijke verklaring heeft gegeven, namelijk dat zij vanwege gezondheidsklachten en vochtproblemen in haar woning veel bij haar familie zit. In dit verband verwijst eiseres naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2017, 17/1415, waarin is geoordeeld dat de uitleg van eiser in die zaak, voor het lage energieverbruik, niet gemotiveerd is betwist door verweerder. Eiseres wijst er tevens op dat de cijfers van Essent slechts inzicht geven tot 17 mei 2013 en van Brabant Water tot 27 november 2013, terwijl de intrekking en terugvordering zien op de periode 24 april 2012 tot en met 31 januari 2014. Verder heeft verweerder zich ten onrechte niet uitgelaten over wat zij tijdens het huisbezoek van 18 februari 2014 wel hebben aangetroffen, aldus eiseres. Er waren immers kleren, doucheschuim en shampoo aanwezig. In dit kader acht eiseres tevens van belang dat zij op 12 mei 2014 opnieuw een uitkering heeft aangevraagd en verweerder wederom op huisbezoek is geweest. Bij dit huisbezoek was de inrichting van het huis precies hetzelfde en was er evenmin vers fruit of verse groente aanwezig, maar is haar aanvraag wel ingewilligd. Voorts is eiseres het oneens met de opgelegde boete, die is teruggebracht naar €1.706,72 omdat zij van mening is dat zij haar inlichtingenplicht niet heeft geschonden, zodat er geen grondslag bestond voor het opleggen van een boete. Bovendien heeft eiseres geen gesprek gehad met verweerder voorafgaand aan het opleggen van de boete. Tijdens het gesprek van 18 februari 2014 kon eiseres geen standpunt geven over een concrete boete.
Het standpunt van verweerder dat eiseres voldoende in de gelegenheid is gesteld haar standpunt te geven aangaande de voorgehouden schending van de inlichtingenplicht tijdens het gesprek van 18 februari 2014 en op de zitting bij de voorzieningenrechter op 12 juni 2014 slaagt niet. Het horen zou betrekking hebben op het voornemen eiseres een boete op te leggen. Wel is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiseres in bezwaar voldoende gelegenheid heeft gehad haar zienswijze ten aanzien van de opgelegde boete naar voren te brengen, zodat het gebrek in de voorfase wordt gepasseerd op grond van artikel 6:22 van Pro de Awb omdat eiseres niet in haar belangen is geschaad. De rechtbank verwijst naar vaste jurisprudentie van de CRvB, zoals bijvoorbeeld CRvB 5 april 2016, ECLI:NL:CRvB:2016:1220. Dat eiseres er om haar moverende redenen voorts voor gekozen heeft in beroep geen gronden aan te voeren tegen de opgelegde boete, omdat ze van mening is dat ze de inlichtingenplicht niet heeft geschonden en er dus van een boete geen sprake kan zijn, komt voor haar rekening en risico.
Het beroep voor zover gericht tegen de boete, slaagt dus niet.
Onder deze omstandigheden bestaat voor schadevergoeding geen aanleiding.