Eiseres, eigenaar van een onroerende zaak, kreeg voor 2018 een aanslag watersysteemheffing opgelegd door de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant. Eiseres betwistte de aanslag en stelde dat de opbrengstlimiet was overschreden, waardoor de verordening onverbindend zou zijn. Zij verwees daarbij naar een arrest van de Hoge Raad uit 2014.
De rechtbank toetste ambtshalve de bevoegdheid van de heffingsambtenaar en oordeelde dat deze aanwezig was. Ook werd geoordeeld dat het ontbreken van ondertekening op de uitspraak op bezwaar geen gebrek aan rechtsgeldigheid opleverde. Verweerder had voldoende inzicht gegeven in de geraamde baten en lasten via stukken uit de programmabegroting 2018 van het waterschap Aa en Maas.
De rechtbank stelde vast dat de geraamde baten 99,05% van de geraamde lasten bedroegen, zodat geen sprake was van overschrijding van de opbrengstlimiet. Eiseres had onvoldoende gemotiveerd betwist dat bepaalde posten als lasten ter zake konden worden aangemerkt. De aanslag, het belastbare feit en de heffingsplicht werden niet betwist. Het beroep werd ongegrond verklaard.