Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juli 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (Uwv)
Procesverloop
.
Rechtbank Oost-Brabant
Eiser, werkzaam als bekistingstimmerman, vroeg een WW-uitkering aan voor een week in januari 2019 waarin hij door vorst en sneeuw niet kon werken. Het UWV wees de aanvraag af omdat op grond van artikel 7:628, eerste lid, BW de werkgever verplicht is loon door te betalen bij weersomstandigheden. Eiser beriep zich op een afwijkende CAO-bepaling die in zijn arbeidsovereenkomst was opgenomen, maar deze CAO was verlopen per 31 december 2012.
De rechtbank onderzocht of sprake was van nawerking van de CAO. Jurisprudentie van de Hoge Raad vereist dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan tijdens de geldigheid van de CAO om nawerking te kunnen toepassen. Omdat eiser pas in 2015 bij de werkgever in dienst trad, was nawerking uitgesloten. Hierdoor gold de loondoorbetalingsverplichting en bestond geen recht op WW-uitkering.
Eiser stelde dat het UWV onrechtmatig handelde door inconsistent om te gaan met vergelijkbare gevallen en dat sprake was van strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. De rechtbank vond dit niet aannemelijk en oordeelde dat eventuele fouten in het verleden geen bestendige gedragslijn vormden die het UWV zou moeten volgen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Oost-Brabant op 24 juli 2020.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat geen sprake is van nawerking van de verlopen CAO en de werkgever gehouden is tot loondoorbetaling.