Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 oktober 2020 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
€ 3.899.946. Verweerder heeft er op de zitting op gewezen dat hij daarbij nog geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid om het park met nog eens 96 woningen uit te breiden. Het toepasselijke bestemmingsplan staat die uitbreiding toe. Verweerder heeft op de zitting verder gezegd dat hij – alleen ter controle van zijn berekening van de gecorrigeerde vervangingswaarde – een tweede waardeberekening heeft gemaakt. In die tweede berekening, die ook bij het verweerschrift is gevoegd, is de marktwaarde van het recreatiepark bepaald. Daarbij is uitgegaan van de Taxatiewijzer en kengetallen deel 22 Recreatie, waardepeildatum 1 januari 2018. De Taxatiewijzer bevat een beschrijving van de zogenoemde operationele cashflow-methode (OCF-methode). Toepassing van de OCF-methode leidt volgens verweerder tot een waarde van het recreatiepark op waardepeildatum van € 3.650.000. Daarbij is nog geen rekening gehouden met de bestaande mogelijkheden tot uitbreiding van het recreatiepark. Verweerder is ook van mening dat eiseres als gebruiker OZB is verschuldigd. Tot slot is verweerder van mening dat de woondelenuitzondering niet van toepassing is, zodat van een toepassing van de uitzondering tot een te laag bedrag zeker geen sprake is.
€ 1.810.000. Verweerder heeft volgens eiseres onvoldoende rekening gehouden met de situatie waarin het recreatiepark verkeert. Zo zijn er geen voorzieningen en heeft het recreatiepark recreanten niets te bieden.
Niet in geschil is dat het recreatiepark één onroerende zaak is. De rechtbank sluit zich aan bij deze, naar haar oordeel juiste, opvatting van partijen. De recreatiewoningen zijn op zich zelf beschouwd zowel bestemd als geschikt om enigszins duurzaam voor menselijke woning te dienen. Ze zijn daarom aan te merken als delen van het recreatiepark die tot woning dienen (vergelijk HR 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2085).
.