Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Vakutrans B.V.,
Rechtbank Oost-Brabant
De werknemer is sinds 1995 in dienst bij Vakutrans en sinds mei 2015 arbeidsongeschikt door een bedrijfsongeval. Na afloop van de loondoorbetalingsverplichting in mei 2017 is het dienstverband niet beëindigd, waardoor sprake is van een slapend dienstverband. De werknemer vordert beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden en betaling van een transitievergoeding berekend volgens het oude recht (voor 1 januari 2020), alsmede betaling van vakantiedagen en incassokosten.
De werkgever is bereid het dienstverband te beëindigen, maar betwist de hoogte van de transitievergoeding en stelt dat het nieuwe recht na 1 januari 2020 moet gelden, omdat de werknemer niet tijdig (voor 2020) een beëindigingsverzoek heeft gedaan. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer wel degelijk een 'piepplicht' heeft en onvoldoende heeft aangetoond tijdig een voorstel tot beëindiging te hebben gedaan.
Verder is geen informatieplicht van de werkgever vastgesteld om de werknemer actief te informeren over de mogelijkheid tot beëindiging. De kantonrechter wijst de vordering toe tot beëindiging van het dienstverband, betaling van de transitievergoeding berekend volgens het nieuwe recht (€ 24.501,18 bruto), betaling van vakantiedagen (€ 9.744,74 bruto), incassokosten en proceskosten. De vordering tot een hogere transitievergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Vakutrans moet het slapend dienstverband beëindigen en een transitievergoeding van € 24.501,18 bruto betalen volgens het nieuwe recht.