Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juni 2021 in de zaken tussen
Laco Grave BV, te Grave, eiseres
de heffingsambtenaar van de gemeente Grave, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
Rechtbank Oost-Brabant
Laco Grave BV heeft beroep ingesteld tegen de door de gemeente Grave vastgestelde WOZ-waarden van twee bedrijfsobjecten: een sporthal en een recreatie-/sportcentrum, beide gelegen te Grave, voor het belastingjaar 2019. De gemeente had de waarden vastgesteld op respectievelijk €289.000 en €1.990.000, welke waarden eiseres betwistte en lagere waarden vorderde op basis van taxatierapporten.
De rechtbank heeft het geschil inhoudelijk onderzocht, waarbij onder meer de taxatiewijzers Sport en Algemeen, de technische en functionele correcties, de grondverdeling tussen gebouwgebonden grond en restgrond, en de toegepaste restwaarden aan de orde kwamen. De rechtbank oordeelde dat de gemeente voldoende aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarden niet te hoog waren, onder meer omdat verweerder de minimale restwaarden hanteerde en de functionele correcties adequaat waren onderbouwd.
Eiseres kon onvoldoende bewijs leveren voor lagere restwaarden of een hogere functionele correctie. Ook de grondverdeling en de bruto vloeroppervlakte werden door de rechtbank in het voordeel van de gemeente vastgesteld. Gelet op deze overwegingen werd het beroep ongegrond verklaard en de vastgestelde WOZ-waarden bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarden voor de sporthal en het recreatiecentrum wordt ongegrond verklaard.