Eiser, huurder van een sociale huurwoning, maakte bezwaar tegen de WOZ-beschikking die op zijn naam was gesteld. Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, stellende dat een verlaging van de WOZ-waarde geen invloed zou hebben op de huurprijs.
De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Hoge Raad uit 2017 en 2020, waarin is vastgesteld dat eenieder aan wie een WOZ-beschikking bekend is gemaakt, waaronder huurders, belang heeft bij die beschikking en de daarin vastgestelde waarde. Verweerder had het bezwaar daarom niet niet-ontvankelijk mogen verklaren.
De rechtbank vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar verweerder om het bezwaar opnieuw te behandelen, met inachtneming van de mogelijkheid om de eigenaar/verhuurder als partij toe te laten in de bezwaarfase. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser.
De uitspraak is gedaan door rechter F.M.S. Requisizione op 1 maart 2021 te 's-Hertogenbosch.