Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser(gemachtigde: [gemachtigde] ),
de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
“huurcontract met aanvangshuurVoor de beoordeling van uw bezwaarschrift heb ik het huurcontract met de aanvangshuur (en aanvangsdatum) van uw cliënt nodig. Dit huurcontract is nodig om te beoordelen of uw cliënt belang heeft bij de WOZ-waarde. Ik verzoek u daarom een kopie van het huurcontract binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief (uiterlijk 14 mei 2018) aan ons toe te sturen.”
2.3.4. Zoals is weergegeven in onderdeel 4.12 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, heeft de wetgever onderkend dat het door het bredere gebruik van de WOZ‑waarde mogelijk is geworden dat iemand belang heeft bij vaststelling van een hogere WOZ-waarde. Om tot een praktisch goed uitvoerbare uitwerking van dat uitgangspunt te komen, dient te worden aangenomen dat eenieder aan wie een te zijnen aanzien genomen WOZ-beschikking bekend is gemaakt en die in bezwaar of in een procedure voor de belastingrechter een hogere dan de vastgestelde waarde bepleit, bij vaststelling van die hogere waarde een belang heeft. De in artikel 28, lid 1, slotzin van de Wet WOZ voor de verkrijging van een beschikking gestelde eis dat het belang is gelegen in gebruik van het waardegegeven op grond van een wettelijk voorschrift, geldt in dit verband niet.”
eigenaarvan een onroerende zaak een verhoging van de vastgestelde WOZ-waarde werd bepleit. Het uitgangspunt waarvan de HR in het arrest uitgaat, dat het mogelijk is dat iemand belang heeft bij vaststelling van een hogere WOZ-waarde, moet tegen die achtergrond worden bezien. Dat geldt ook voor de door de HR voorgestane praktisch goed uitvoerbare uitwerking van dat uitgangspunt. Die uitwerking houdt in dat moet worden aangenomen dat iemand met een op naam gestelde WOZ-beschikking die een hogere waarde bepleit, daarbij belang heeft in bezwaar of beroep. De rechtbank is van oordeel dat uit de context van het geval waarin het arrest van de HR is gewezen, moet worden afgeleid dat het door hem geformuleerde uitgangspunt en de uitwerking daarvan niet ook – zonder meer – geldt in zaken waarin de WOZ-beschikking is gestuurd aan de gebruiker van een onroerende zaak die als woning wordt gebruikt.