Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juni 2022 in de zaak tussen
[bedrijf] B.V., te [plaatsnaam] , eiseres
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant,
Procesverloop
[adres] is geregistreerd onder zaaknummer SHE 21/1048 en het beroep met betrekking tot [adres] (WOZ 2 Hotel) onder zaaknummer SHE 21/2317.
Overwegingen
1 januari 2020, en dat dit ook geldt voor de door de heffingsambtenaar ingediende nadere taxatie van 1 maart 2022. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de taxateur ook in zijn eerder uitgebrachte taxatierapport van 4 november 2021 is uitgegaan van de toestandsdatum
1 januari 2020.
Voor de bruikbaarheid van de waardebepaling is onder meer van belang dat de gehanteerde vergelijkingsobjecten (die de basis vormen voor de gebruikte huur- en verkoopcijfers) voldoende vergelijkbaar zijn met de onderhavige onroerende zaak.
Daarom ziet de rechtbank aanleiding om ook het beroep met betrekking tot [adres] (WOZ 2 Hotel) gegrond te verklaren, de uitspraak op bezwaar (ook) in zoverre te vernietigen en het geschil met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht finaal te beslechten. Rekening houdend met wat door partijen over en weer is aangevoerd, stelt de rechtbank de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2019, naar de toestand op 1 januari 2020, in goede justitie vast op € 1.190.000. De heffingsambtenaar zal worden opgedragen de betreffende aanslag OZB overeenkomstig die waarde te verminderen.
Omdat het beroep voor beide zaaknummers gegrond is, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar aan eiseres het door haar betaalde griffierecht (1 maal € 360) dient te vergoeden.
23. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op een bedrag van € 2.056 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 269 en wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 1. [2]
Beslissing
- verklaart het beroep met betrekking tot de zaaknummers SHE 21/1048 en 21/2317 gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak;
- verklaart in zaak SHE 21/1048 het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk;
- stelt in de zaak SHE 21/2317 de waarde van [adres] (WOZ 2 Hotel) per waardepeildatum 1 januari 2019 en naar de toestand op 1 januari 2020, voor het kalenderjaar 2020, vast op € 1.190.000 en vermindert de daarop gebaseerde aanslag OZB gebruikersheffing overeenkomstig die waarde;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.056;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 360 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 500.