ECLI:NL:RBOBR:2022:2945
Rechtbank Oost-Brabant
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en beroep ongegrond verklaard door Rechtbank Oost-Brabant
Eiser betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, een twee-onder-een-kapwoning uit 1966, met een waardepeildatum van 1 januari 2020 en een vastgestelde waarde van €345.000. Hij stelde een lagere waarde van €284.000 voor en voerde aan dat de woning inpandig getaxeerd had moeten worden en dat de waardeontwikkeling van vergelijkbare woningen niet overeenkwam.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar terecht gebruik heeft gemaakt van vergelijkingsobjecten die voldoende vergelijkbaar zijn en dat de taxatie met gemiddelde scores voor kwaliteit en onderhoud niet onjuist was. De rechtbank wees het standpunt van eiser af dat de heffingsambtenaar verplicht was tot inpandige taxatie en dat de WOZ-waarde jaarlijks opnieuw moet worden vastgesteld, waardoor vergelijkingen met voorgaande jaren niet doorslaggevend zijn.
Daarnaast werd een fout in de waardering van de buren erkend, maar dit betekende niet dat die fout in de zaak van eiser herhaald moest worden. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarde te hoog was. Klachten over het uitstel van betaling konden niet in deze procedure worden behandeld. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €345.000 wordt ongegrond verklaard.