ECLI:NL:RBOBR:2022:422
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning Eindhoven op basis van vergelijkingsmethode
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning in Eindhoven per waardepeildatum 1 januari 2019, die is vastgesteld op €217.000. Hij stelt dat de heffingsambtenaar andere vergelijkingsobjecten had moeten gebruiken en voert diverse bezwaren aan tegen de gehanteerde waarderingsmethodiek.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar terecht vergelijkingsobjecten heeft gekozen die niet identiek hoeven te zijn, mits vergelijkbaar op waarderelevante onderdelen. De gebruikte objecten en de toegepaste indexeringspercentages zijn voldoende onderbouwd met een uitgebreide marktanalyse en taxatierapporten. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel en de meerderheidsregel faalt wegens gebrek aan onderbouwing.
Verder wijst de rechtbank het beroep af dat de aanwezigheid van een brandgang onvoldoende in de waardering is meegenomen, omdat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat vergelijkingsobjecten een vergelijkbare situatie kennen en de correctie niet leidt tot een lagere waarde dan vastgesteld. Ook nieuwe bezwaren die pas op de zitting zijn ingebracht, worden wegens strijd met de goede procesorde niet in behandeling genomen.
De rechtbank concludeert dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is en dat eiser onvoldoende toetsbare gegevens heeft geleverd om zijn lagere waardering aannemelijk te maken. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €217.000 wordt ongegrond verklaard.