ECLI:NL:RBOBR:2023:187
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvordering bijstand wegens onvoldoende onderzoek en motivering
Eiser ontving bijstand vanaf 2012 en kreeg in 2021 te horen dat hij een erfenis zou ontvangen na het overlijden van zijn ouders. Verweerder beëindigde de bijstand per 1 december 2021 en vorderde €85.753,69 terug over de periode 2014-2021, gebaseerd op het vermogen uit de nalatenschap van moeder en vader.
Eiser stelde dat de aanspraak op de nalatenschap pas ontstond bij het overlijden van zijn vader in 2020, vanwege een tweetrapsmaking in het testament van zijn moeder. Verweerder stelde dat de aanspraak al ontstond bij het overlijden van moeder in 2014, conform vaste rechtspraak over langstlevende testamenten.
De rechtbank oordeelde dat eiser bij het overlijden van moeder erfgenaam werd en een vordering op vader had, ondanks de opschortende voorwaarden. De aanspraak ontstond derhalve in 2014. Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder geen onderzoek had gedaan naar schulden op de peildata en geen fictieve vermogensvaststelling had gemaakt, waardoor de terugvordering niet juist was berekend.
Het besluit was onvoldoende gemotiveerd en het onderzoek was niet zorgvuldig. Daarom vernietigde de rechtbank het besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot terugvordering bijstand wordt vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.