Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
Belastingdienst/ Toeslagen, verweerder
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van
24 februari 2023 (het bestreden besluit), waarbij verweerder de besluiten van
6 mei 2022 heeft gehandhaafd. Met de bestreden besluitvorming heeft verweerder het kindgebonden budget voor 2019 definitief vastgesteld op € 0,- en ook de huurtoeslag voor 2019 definitief vastgesteld op € 0,-. Een bedrag van € 1.059,- aan kindgebonden budget en
€ 63,- rente wordt teruggevorderd en een bedrag van € 2.845,- aan huurtoeslag en € 170,- rente wordt teruggevorderd.
Eiseres heeft beroepsgronden ingediend en verweerder een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 28 september 2023 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen. Zij heeft zich op zitting laten bijstaan door de heer [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Beoordeling door de rechtbank
In het hiernavolgende zal de rechtbank beoordelen of verweerder zijn bestreden besluit heeft kunnen nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden (de argumenten) van eiseres.
Eiseres heeft op 10 januari 2019 kindgebonden budget en huurtoeslag aangevraagd. Haar toeslagpartner met betrekking tot het grootste deel van 2019 is de heer [naam] . Voornoemd toeslagpartnerschap zag op de periode 10 januari 2019 tot en met
28 december 2019.
Bij besluit van 21 februari 2019 heeft verweerder aan eiseres een voorschot kindgebonden budget en huurtoeslag verleend voor 2019 van respectievelijk € 996,- en € 2.675,-. Dit is gebaseerd op een geschat toetsingsinkomen van eiseres van € 767,- en een geschat toetsingsinkomen van haar toeslagpartner van € 22.700,-.
Verweerder krijgt op 8 december 2021 een signaal van de Basisregistratie inkomen (BRI) dat het verzamelinkomen van de toeslagpartner van eiseres voor 2019 is vastgesteld op
€ 39.396,-. Verweerder krijgt op 6 april 2022 een signaal van de BRI dat het verzamelinkomen van eiseres voor 2019 is vastgesteld op € 0,-.
€ 39.396,-.
Eiseres kan zich niet vinden in het besluit. De bedragen die bij haar geïncasseerd worden, moeten eigenlijk bij haar toeslagpartner geïncasseerd worden. De vorderingen zijn immers gebaseerd op zijn inkomen en niet op dat van haar. Eiseres verzoekt om zorgvuldig naar haar situatie te kijken.
De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat het kindgebonden budget en de huurtoeslag inkomensafhankelijke regelingen zijn waarbij de draagkracht, bestaande uit het inkomen en vermogen, de hoogte van de toeslag bepaalt.
Tussen partijen is niet in geschil dat het gezamenlijke toetsingsinkomen van eiseres en haar toeslagpartner voor 2019 € 39.396,- voor het kindgebonden budget bedroeg en
€ 44.570,- voor de huurtoeslag.
16. De rechtbank overweegt dat het primaire besluit – gehandhaafd in het bestreden besluit – een terugvordering omvat op grond van artikel 20, derde lid, van de Awir. Dit betreft een terugvordering in de zin van artikel 26 van Pro de Awir. Op grond van artikel 26, tweede lid, van de Awir kan verweerder een lager bedrag terugvorderen als de nadelige gevolgen van volledige terugvordering onevenredig zijn vergeleken met het doel van terugvorderen.
17. Verweerder heeft in dit geval geen aanleiding gezien om de terugvordering te matigen. Het standpunt van verweerder zoals is opgenomen in het bestreden besluit en toegelicht in het verweerschrift komt samengevat hierop neer. De door eiseres aangevoerde omstandigheden zijn financieel van aard en in het algemeen geldt dat dit in beginsel geen bijzondere omstandigheden zijn. Voorts staat voor eiseres zo nodig een betalingsregeling open.
Het betoog slaagt.
Conclusie en gevolgen
24. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
mr.M.W. Venderbos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
15 januari 2024.