ECLI:NL:RBOBR:2025:2433
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever
De werknemer, werkzaam als afdelingsmanager, meldde zich ziek op 1 april 2022 met mentale en lichamelijke klachten. Het UWV legde op 22 februari 2024 een loonsanctie op aan de werkgever wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. De bedrijfsarts had onjuiste beperkingen vastgesteld voor zelfstandig handelen en volledig voorgestructureerd werk, waardoor een adequaat spoor I en II traject niet tot stand kwam.
De werkgever voerde aan dat de beperkingen terecht waren vastgesteld en dat het traject in spoor II tijdig was ingezet. De rechtbank oordeelde echter dat de bedrijfsarts deze beperkingen onterecht had aangenomen, mede bevestigd door een verzekeringsarts en het ontbreken van medische onderbouwing door de werkgever. Daarnaast was het spoor II traject te laat gestart.
De rechtbank concludeerde dat de werkgever onvoldoende inspanningen had verricht zonder deugdelijke grond en dat de loonsanctie terecht was opgelegd. Het beroep van de werkgever werd ongegrond verklaard en de werkgever kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen en verklaart het beroep van de werkgever ongegrond.