Eiser ontving vanaf september 2019 een WGA-vervolguitkering en toeslag daarop. Het UWV vorderde op 13 maart 2024 een bedrag van € 2.117,80 terug wegens vermeende inkomsten uit werkzaamheden in de periode november 2022 tot mei 2023 bij een bedrijf waar eiser bij betrokken was. Tevens legde het UWV een boete van € 684 op wegens het niet melden van deze inkomsten.
Na onderzoek, waaronder gesprekken, internet- en bankonderzoek, concludeerde het UWV dat eiser inkomsten had ontvangen en zijn inlichtingenplicht had geschonden. Eiser betwistte dit, maar kon geen overtuigend bewijs leveren. De rechtbank oordeelde dat het UWV aannemelijk had gemaakt dat eiser inkomsten had ontvangen en dat het terugvorderen en opleggen van de boete terecht was.
De rechtbank vond dat eiser op de hoogte had kunnen zijn van zijn meldingsplicht, zoals ook in eerdere besluiten was vermeld. Er waren geen dringende redenen om af te zien van terugvordering of boete. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.