Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, stellende dat onvoldoende rekening is gehouden met de slechte staat van onderhoud en verouderde voorzieningen. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde in bezwaar, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank stelde de heffingsambtenaar in de gelegenheid om binnen acht weken een verweerschrift en taxatie in te dienen, maar deze reageerde niet tijdig. Na bijna een jaar zonder reactie stelde de rechtbank voor de zaak zonder zitting af te doen. De heffingsambtenaar diende vervolgens alsnog een verweerschrift en taxatie in, maar deze werden buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar niet in zijn bewijslast was geslaagd en dat het betoog van eiser niet weersproken kon worden. Omdat eiser in beroep geen nieuwe waarde had bepleit, stelde de rechtbank de waarde schattenderwijs vast op het bedrag dat eiser in bezwaar had genoemd, namelijk €750.000.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en bepaalde dat de aanslag onroerendezaakbelasting overeenkomstig deze waarde wordt verminderd. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.