ECLI:NL:RBOBR:2025:5118

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
15 augustus 2025
Publicatiedatum
13 augustus 2025
Zaaknummer
24/1662
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArtikel 30a Wet WOZArtikel IV Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond: WOZ-waarde woning vastgesteld op €750.000 wegens onvoldoende verweer heffingsambtenaar

Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, stellende dat onvoldoende rekening is gehouden met de slechte staat van onderhoud en verouderde voorzieningen. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde in bezwaar, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank stelde de heffingsambtenaar in de gelegenheid om binnen acht weken een verweerschrift en taxatie in te dienen, maar deze reageerde niet tijdig. Na bijna een jaar zonder reactie stelde de rechtbank voor de zaak zonder zitting af te doen. De heffingsambtenaar diende vervolgens alsnog een verweerschrift en taxatie in, maar deze werden buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde.

De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar niet in zijn bewijslast was geslaagd en dat het betoog van eiser niet weersproken kon worden. Omdat eiser in beroep geen nieuwe waarde had bepleit, stelde de rechtbank de waarde schattenderwijs vast op het bedrag dat eiser in bezwaar had genoemd, namelijk €750.000.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en bepaalde dat de aanslag onroerendezaakbelasting overeenkomstig deze waarde wordt verminderd. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank stelt de WOZ-waarde van de woning vast op €750.000 en vermindert de aanslag onroerendezaakbelasting overeenkomstig.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/1662

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: [naam]),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Sint-Michielsgestel, de heffingsambtenaar

([naam]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de WOZ [1] -waarde van zijn woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning).
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning met de beschikking van 28 februari 2023 vastgesteld op € 777.000. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2022 en voor het kalenderjaar 2023. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerendezaakbelasting 2023 opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 23 januari 2024 de waarde gehandhaafd.
1.3.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en hen in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na dagtekening van dat bericht om een zitting te verzoeken.
1.5.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
Omdat partijen niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Feiten

2. Eiser is eigenaar van de woning, een vrijstaande woning uit 1992. De woning bestaat uit een hoofdbouw van 170 m² en beschikt over een werkplaats van 171 m², een aangebouwde garage van 32 m² en een dierenverblijf van 60 m². De grond bij de woning heeft een oppervlakte van 1.643 m². Daarnaast hoort bij de woning een weiland van 5.875 m².

Beoordeling door de rechtbank

3. In beroep is het aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar hierin niet geslaagd.
3.1.
Eiser vindt dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de toestand van zijn woning. Eiser wijst in dit verband op de volgens hem gedateerde keuken en badkamer (beide meer dan 30 jaar oud) van de woning. Ook wijst hij op de matige onderhoudstoestand van de woning die – zo begrijpt de rechtbank – blijkt uit slecht onderhouden schilderwerk, slechte kozijnen, scheurvorming in de binnenmuren, slecht voegwerk en de aanwezigheid van schimmelvorming. Eiser wijst verder op het in zijn ogen matige duurzaamheidsniveau van de woning dat blijkt uit de matige tot slechte isolatie.
3.2.
De heffingsambtenaar is door de rechtbank op 14 augustus 2024 in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na genoemde datum een verweerschrift (en taxatie) in te dienen. In dit bericht staat onder andere: “Als u niet reageert op deze brief gaat de rechtbank ervan uit dat u geen verweerschrift en taxatierapport wilt indienen en wordt de zaak verder behandeld.”
3.3.
Aangezien inmiddels bijna een jaar was verstreken sinds het verzenden van genoemd bericht en nog altijd geen reactie van de heffingsambtenaar was ontvangen, is de rechtbank ervan uitgegaan dat bij de heffingsambtenaar geen behoefte bestond om zich te verweren tegen het gemotiveerde betoog van eiser. Zij heeft daarom op 23 juli 2025 aan partijen voorgesteld om op het beroep te beslissen zonder het houden van een zitting. De heffingsambtenaar heeft vervolgens op 24 juli 2025 een verweerschrift overgelegd in reactie op de standpunten van eiser.
3.4.
De rechtbank laat het verweerschrift en de daarbij gevoegde stukken – waaronder een taxatie – buiten beschouwing. Deze stukken zijn namelijk in strijd met de goede procesorde te laat ingediend. Voor dit oordeel is van belang dat de rechtbank in haar brief van 14 augustus 2024 een termijn heeft gesteld voor het indienen van verweer (en een taxatie) van acht weken. Daarvan is geen uitstel verzocht door de heffingsambtenaar. Niettemin is sindsdien nog een zeer lange termijn verstreken waarin genoemde stukken hadden kunnen worden ingediend. Ook is bij deze beoordeling de in overweging 3.2 genoemde mededeling van belang. Tot slot heeft de heffingsambtenaar in het verweerschrift geen enkele toelichting gegeven op de veel te late indiening daarvan.
3.5.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het gemotiveerde betoog van eiser als niet weersproken wordt beschouwd. Dit leidt tot het oordeel dat de heffingsambtenaar niet in zijn bewijslast is geslaagd.
4. Omdat de heffingsambtenaar niet in zijn bewijslast is geslaagd, moet de rechtbank beoordelen of eiser de door hem bepleite waarde heeft onderbouwd. [2] Eiser heeft in beroep geen waarde bepleit. Dit betekent dat de rechtbank de waarde schattenderwijs moet vaststellen. Eiser heeft in bezwaar een waarde bepleit van € 750.000. De rechtbank zal de waarde vaststellen op dat bedrag.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Omdat het beroep gegrond is, heeft eiser recht op vergoeding van zijn proceskosten die door de heffingsambtenaar moet worden betaald.
5.1.
De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 251,75. De gemachtigde van eiser heeft een beroepschrift ingediend (één punt). De waarde per punt bedraagt € 907 en de wegingsfactor is 1. Op grond van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ moet nog worden vermenigvuldigd met een factor 0,25. Daarnaast heeft een regiezitting plaatsgevonden waarvoor een vergoeding van € 25 wordt toegekend. [3]
5.2.
Eiser bepleit dat artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ wegens strijd met hoger recht buiten toepassing moet blijven. Gelet op de daarover gewezen rechtspraak van de Hoge Raad volgt de rechtbank eiser daarin niet. [4]
5.3.
De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase bedraagt op grond van het Bpb in totaal € 647. De gemachtigde van eiser heeft een bezwaarschrift ingediend (één punt). De waarde per punt bedraagt € 647 en de wegingsfactor is 1. De rechtbank merkt volledigheidshalve nog op dat artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ geen toepassing vindt, omdat de aanslag is opgelegd voor 1 januari 2024. [5]
5.4.
De rechtbank kent verder geen vergoeding toe voor de in de bezwaarfase gehouden “schriftelijke hoorzitting”. Het Bpb bevat geen bepaling op grond waarvan deze proceshandeling voor vergoeding in aanmerking komt. Het staat partijen vrij om af te spreken dat in plaats van het houden van een hoorzitting een aanvullend bezwaarschrift wordt ingediend wat dan bij een gegrondverklaring van het bezwaar ertoe leidt dat de heffingsambtenaar dit bij de vergoeding van de proceskosten aanmerkt als een hoorzitting. De heffingsambtenaar is bij het doen van uitspraak op bezwaar aan zo’n afspraak gebonden, maar de rechtbank niet. [6]
5.5.
Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden.
5.6.
De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij op grond van deze uitspraak de te vergoeden bedragen voor proceskosten en het griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiser. [7] De rechtbank wijst het verzoek van eiser af om te bepalen dat de heffingsambtenaar geen toepassing aan deze bepaling mag geven. De rechtbank is – als bestuursrechter – niet bevoegd om hierover te oordelen. [8]
6.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • stelt de waarde van de woning aan de [adres] in [woonplaats] voor het kalenderjaar 2023, per waardepeildatum 1 januari 2022, vast op € 750.000 en bepaalt dat de heffingsambtenaar de aanslag onroerendezaakbelasting vermindert overeenkomstig deze waarde;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden tot een bedrag van € 51;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot een betaling van € 898,75 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van drs. J.G.J. van Geesink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
15 augustus 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Als u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.

Voetnoten

1.Wet Waardering Onroerende Zaken (Wet WOZ).
2.Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300, overweging 3.2. (Oostflakkee).
3.Zie rechtbank Oost-Brabant 26 juni 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:2937, r.o. 15.1.
4.Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
5.Artikel IV, aanhef en onder a, van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.
6.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1843, overweging 7, en rechtbank Oost-Brabant 19 augustus 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:3739, overweging 14.1.
7.Artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ.
8.Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, overweging 5.4.