Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
de heffingsambtenaar van de gemeente Waalre, de heffingsambtenaar
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
Met wederzijds goedkeuren heeft een schriftelijke hoorzitting plaatsgevonden.’ Eiseres heeft op 21 december 2021 per e-mail een schriftelijk stuk ingediend bij de heffingsambtenaar. Dat stuk is volgens de bestreden uitspraak meegenomen in beslissing. Een fysieke hoorzitting heeft niet plaatsgevonden.
De rechtbank heeft bij de heropening van het onderzoek partijen erop gewezen dat in de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht de proceshandelingen zijn opgesomd waarvoor een proceskostenvergoeding kan worden toegekend. Het indienen van een geschrift met nadere gronden dat in de plaats komt van een hoorzitting is daarin niet als proceshandeling genoemd. [2] Eiseres heeft desgevraagd schriftelijk het standpunt ingenomen dat partijen een procesafspraak hebben gemaakt, dat voor de (schriftelijke) hoorzitting 1 punt wordt toegekend bij een gegrond bezwaar.
De rechtbank is van oordeel dat het enkel indienen van een nader schriftelijk stuk, dat vervolgens wordt meegenomen in de uitspraak op bezwaar, niet gelijk kan worden gesteld met een hoorzitting in de zin van Afdeling 7.2 van de Algemene wet bestuursrecht. Er is geen sprake van een situatie dat het zich materieel niet van een hoorzitting onderscheidt. [3] Er bestaat ook geen grond om op de voet van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht een vergoeding toe te kennen. Anders dan eiseres heeft bepleit, is de rechtbank niet gebonden aan een tussen haar en de heffingsambtenaar gemaakte procesafspraak. Dat de afspraak in de coronaperiode is gemaakt en eiseres het stuk tijdens de ‘harde lockdown’ bij de heffingsambtenaar heeft ingediend, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het verzoek om een proceskostenvergoeding vanwege een hoorzitting wijst de rechtbank af.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak;
- stelt de waarde van de woning aan de [adres] voor het kalenderjaar 2021, per waardepeildatum 1 januari 2020, vast op € 620.000 en bepaalt dat de heffingsambtenaar de aanslag onroerendezaakbelasting vermindert overeenkomstig deze waarde;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van immateriële schade aan eiseres van € 441,18;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van immateriële schade aan eiseres van € 1.058,82;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden tot een bedrag van € 50;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot een betaling van € 2.060 aan proceskosten aan eiseres.