Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 oktober 2025 in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. L.M. Kok),
[eiser 2] , uit [woonplaats] , (gemachtigde: mr. Ö. Ekinci), eiser 2
gemeente Meierijstad, vergunninghoudster.
Samenvatting
Verder gaat deze uitspraak over de verleende omgevingsvergunning voor onder meer de bouw en het gebruik van deze woningen, geregistreerd onder zaaknummer SHE 25/558.
Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van hun handhavingsverzoek en de verleende omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluiten tot afwijzing van het handhavingsverzoek en tot verlening van de omgevingsvergunning.
Procesverloop
300 ontheemden, verdeeld over drie woonblokken, op het perceel kadastraal bekend gemeente Schijndel, sectie M, nummer 633 (gedeeltelijk), plaatselijk bekend
Bremweg ongenummerd te Schijndel. Verder ziet de aanvraag op het uitvoeren van een werk of werkzaamheden en de aanleg van een uitweg.
Bij besluit van 20 januari 2025 (het bestreden besluit II) heeft het college aan de gemeente Meierijstad voor genoemde activiteiten (zie overweging 11 waarin de aanvraag is omschreven en overweging 13) op de locatie aan de Bremweg-Heiweg in Schijndel een omgevingsvergunning verleend voor een periode van maximaal 15 jaar.
Met toepassing van de coördinatieregeling als bedoeld in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) heeft het college bij dit besluit ten behoeve van de zuidgevel van een deel van de tijdelijke woningen een hogere waarde vanwege wegverkeer op de Heiweg vastgesteld. Ook heeft het college bij dit besluit besloten ter plaatse een 30 km zone in te stellen.
Beoordeling door de rechtbank
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving of een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op het verzoek of de aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo). Het verzoek om handhaving en de aanvraag om een omgevingsvergunning zijn ingediend vóór 1 januari 2024, zodat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Relevante wet- en regelgeving
De wettelijk relevante bepalingen zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.
Bij brief van 4 december 2023 hebben eisers het college verzocht om de bouwwerkzaamheden op de projectlocatie te staken, in ieder geval tot het moment dat de bezwaartermijn tegen het ontwerpbesluit tot verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ter inzage is gelegd. Volgens eisers leiden de bouwwerkzaamheden tot aantasting van het cultuurhistorisch waardevol gebied. In dat kader wijzen zij erop dat het uitvoeren van werkzaamheden als het af- en vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan aan strikte voorwaarden is gebonden.
27. De rechtbank is van oordeel dat eisers geen procesbelang hebben bij de beoordeling van hun beroep tegen het bestreden besluit I. De werkzaamheden die eisers met hun verzoek om handhaving hebben beoogd te voorkomen, hebben inmiddels reeds plaatsgevonden. Het feit dat eisers zich ernstig in hun rechtsgevoel voelen aangetast door de handelswijze van het college destijds is onvoldoende om nog een procesbelang bij de beoordeling van het bestreden besluit I te kunnen aannemen.
Eisers hebben op zich terecht opgemerkt dat procesbelang behouden blijft bij de beoordeling van een beroep tegen een besluit dat inmiddels niet meer actueel is, als sprake zal zijn van toekomstige besluitvorming waarbij het inhoudelijke oordeel over dat besluit kan worden betrokken. Het moet dan echter wel aannemelijk zijn dat die toekomstige besluitvorming zal plaatsvinden. Dat zal met name het geval zijn bij een voortdurende activiteit waarvoor periodiek vergunningen worden verleend of een activiteit die in de toekomst zal worden herhaald, zoals een jaarlijks evenement. Daarvan is hier geen sprake. Bovendien raakt de beweerdelijk onjuiste handelswijze van het college niet de inhoud van het besluit zelf.
Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De tegen dit besluit gerichte beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.
SHE 25/558
36 hectare groot is en diverse bedrijven huisvest. Direct ten oosten van de projectlocatie is het sportpark Zuideinderpark gelegen. De projectlocatie wordt ontsloten door de Bremweg aan de westzijde en de Heiweg aan de zuidzijde.
Op grond van het bestemmingsplan “Landelijk gebied” is aan de gronden de bestemming “Agrarisch met waarden – Open landschap” toegekend. Het projectplan past niet in dit bestemmingsplan. Om realisatie hiervan toch mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°, van de Wabo een omgevingsvergunning verleend.
Toetsingskader
Eisers voeren aan dat de rechtbank ten onrechte de Crisis- en herstelwet (Chw) op deze procedure van toepassing heeft geacht. Zij stellen dat het bestreden besluit II niet onder de werking van de bij deze wet behorende bijlagen I of II valt.
bijlage I, onderdeel 3.1, van de Chw. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de omgevingsvergunning is verleend voor de opvang van ontheemden voor maximaal
15 jaar in een zelfstandige ruimte waarin sprake is van een afzonderlijk huishouden, zodat kan worden gesteld dat het gebruik van deze woningen een duurzaam karakter heeft en gezien het gebruik op één lijn kan worden gesteld met ‘wonen’. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eisers nadere beroepsgronden hebben mogen indienen omdat aan hen niet was medegedeeld dat de Chw op deze procedure van toepassing is.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Eisers stellen dat het bestreden besluit II rechtsonzeker is, omdat hieruit niet volgt voor welke doelgroep de woningen worden gebouwd. Daarbij wijzen zij erop dat in de omgevingsvergunning staat dat het niet alleen om het huisvesten van Oekraïners gaat, maar ook om het huisvesten van ontheemden. Uit het bestreden besluit II wordt niet duidelijk of de woningen door andere doelgroepen gebruikt zullen gaan worden indien de oorlog in Oekraïne binnen 15 jaar eindigt. Volgens eisers had dit bij het nemen van het bestreden besluit II duidelijk moeten zijn vanwege de te hanteren parkeernormen.
19 november 2024, die deel uitmaakt van de omgevingsvergunning, wordt zowel de noodzaak van opvang van mensen uit Oekraïne als van elders benadrukt. Eisers hebben niet aangegeven in hoeverre onderzoeken die hierop zien en die aan de vergunningverlening ten grondslag liggen, onjuist zouden zijn.
Ter zitting heeft het college aangegeven dat het begrip ‘ontheemden’ ruim moet worden gezien en dat er dan ook geen beperking in de doelgroep is beoogd aan te brengen.
15 december 2022 heeft besloten om in de huisvesting en opvang te (blijven) voorzien van asielzoekers en Oekraïense vluchtelingen. Daarnaast zijn er extra taakstellingen voor de huisvesting van statushouders.
37. De rechtbank stelt vast dat het begrip ‘ontheemden’ niet in de omgevingsvergunning is gedefinieerd. Volgens het woordenboek van Van Dale wordt onder ‘ontheemde’ verstaan: iemand die uit zijn vaderland is gevlucht of verdreven, (zijn nationaliteit is kwijtgeraakt) en nog geen nieuwe woonplaats gevonden heeft. De stelling van eisers dat uit het bestreden besluit II niet volgt voor welke doelgroep de woningen worden gebouwd en het bestreden besluit II in zoverre rechtsonzeker is, deelt de rechtbank daarom niet. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de doelgroep niet te beperken tot gevluchte Oekraïners, gezien de grote behoefte aan opvang voor allerlei doelgroepen en de daarmee samenhangende behoefte aan flexibiliteit vanwege onder meer de onzekere toekomst. Wat de parkeernorm betreft overweegt de rechtbank dat het type woning en niet zozeer wie er woont bepalend is voor de van toepassing zijnde parkeernorm.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Voor zover eisers met hun beroepsgrond over het aantal te huisvesten personen hebben beoogd te stellen dat dit aantal niet verantwoord is gezien de omvang van de units, overweegt de rechtbank dat ter beoordeling voorligt het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw en het gebruik van 96 woningen en niet het hierin te huisvesten aantal personen. Over het aantal bewoners per woning heeft het college overigens gesteld dat de woningen niet alleen verschillen qua grootte, maar ook dat op de projectlocatie vooral gezinnen worden gehuisvest zodat 96 woningen voldoende zijn om ongeveer 300 personen verantwoord te kunnen huisvesten.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Eisers voeren aan dat het hier niet gaat om een tijdelijk project gezien de verschillende doelgroepen die genoemd worden, maar om de bouw van een reguliere woonwijk in het buitengebied op een cultuurhistorisch waardevol perceel. Zij wijzen erop dat op of rond 3 december 2024 reeds personen in de woningen woonden. Omdat dit was vóór de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning, blijkt hieruit dat het college in feite voornemens is om de woningen langer dan 15 jaar in gebruik te laten nemen.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Eisers betogen dat het onduidelijk is om hoeveel woningen het nu concreet in het plan gaat. Weliswaar staat in de omgevingsvergunning dat het over 96 woningen gaat, maar daarentegen is bijvoorbeeld in het document ‘Besluit Komborden Bremweg-Heiweg situatietekening’ (het document) een schets met drie woonunits opgenomen.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Eisers brengen verder naar voren dat er alternatieve locaties zijn waar de Oekraïense vluchtelingen tijdelijk kunnen verblijven en dat hiernaar onvoldoende onderzoek is gedaan. Met de door hen aangedragen locaties heeft het college niets gedaan. In dat kader wijzen zij ook op een e-mail die eiser [naam] hierover op 17 juli 2023 heeft gestuurd en op de raadsinformatiebrief van 15 oktober 2024. Eisers zijn van mening dat de Ladder voor duurzame verstedelijking niet kan worden gebruikt als argument om bebouwing op deze locatie mogelijk te maken.
In het locatieonderzoek zijn, anders dan eisers ter zitting hebben gesteld, diverse kavels genoemd waarnaar onderzoek is gedaan. Deze kavels bleken om diverse, specifiek genoemde redenen niet geschikt voor de huisvesting van 300 mensen. Eisers hebben niet deugdelijk onderbouwd dat het college dit locatieonderzoek niet aan het bestreden besluit II ten grondslag heeft mogen leggen. Het college heeft verder voldoende gemotiveerd waarom de alternatieve locaties die door eiser [naam] zijn genoemd in zijn e-mail van
17 juli 2023 niet of minder geschikt zijn.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
(groen-)structuren wordt, zo is gesteld, het cultuurhistorisch waardevolle karakter van het landschap behouden.
De rechtbank is van oordeel dat het college in voornoemde dubbelbestemmingen die aan de projectlocatie zijn toegekend geen aanleiding heeft behoeven te zien om de gevraagde omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden te weigeren. Weliswaar is sprake van enige aantasting van de cultuurhistorische waarden, maar het college heeft die, mede gezien het tijdelijke karakter van het project, aanvaardbaar kunnen vinden. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op hetgeen in de ruimtelijke onderbouwing is gesteld over het behoud van de Bremweg en Heiweg en de daarbij behorende laanbeplanting, en de ligging van de projectlocatie tegen de kern van Schijndel, dus niet midden in het open landschap. De structuur van de locatie blijft dus gehandhaafd en kan na beëindiging van de huisvesting worden hersteld, zo begrijpt de rechtbank de onderbouwing na de daarop gegeven toelichting door het college.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
beveiligingsdienst aanwezig moet zijn, terwijl in de voorschriften staat ‘aanwezig en/of bereikbaar’. Afgezien daarvan vinden eisers dat er ook zorg moet worden gedragen voor de geestelijke gezondheidszorg van de bewoners van de projectlocatie nu het gaat om ontheemden, zodat een beheerder niet voldoende is.
In voorschrift 7 van de omgevingsvergunning is bepaald dat voor het behoud van een goed woon- en leefklimaat voor zowel de omwonenden als voor de bewoners van de huisvestingslocatie er 24 uur per dag een beheerder en/of beveiliger/beveiligingsdienst aanwezig en/of bereikbaar moet zijn. De beheerder draagt zorg voor goed onderhoud en beheer van de locatie en van de omgeving.
In voorschrift 8 is bepaald dat de beheerder en/of beveiliger/beveiligingsdienst fungeert als aanspreekpunt voor de bewoners, omwonenden, de gemeente en de hulpdiensten (brandweer en politie). De naam en contactgegevens van de beheerder en/of beveiliger/
beveiligingsdienst dienen op centrale plekken goed zichtbaar te worden opgehangen en gedeeld te worden met omwonenden, de gemeente en de hulpdiensten (brandweer en de politie).
In voorschrift 9 is bepaald dat er een huishoudelijk reglement is met huis- en leefregels, opgesteld en goedgekeurd door de gemeente (…). Wijzigingen van het reglement met huis- en leefregels worden ter goedkeuring aan de gemeente voorgelegd. Op de huisvestingslocatie is op verschillende plekken (waaronder in elke afzonderlijke unit) het reglement aanwezig waarin de huis- en leefregels zijn opgenomen om overlast en calamiteiten te voorkomen. Dit reglement is zowel in het Nederlands opgesteld als in de taal van de personen die er verblijven en dit reglement wordt aan elke (nieuwe) bewoner kenbaar gemaakt.
Met betrekking tot het verschaffen van geestelijke gezondheidszorg op de projectlocatie aan bewoners van de tijdelijke woningen is de rechtbank van oordeel dat het college ervan uit heeft kunnen gaan dat dit geen aspect is dat dient te worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke ordening en daarom geen weigeringsgrond kan vormen.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
55. Eisers vrezen verder voor verkeersonveilige situaties, omdat de wegen van en naar de locatie te smal zijn voor een trottoir en de richtintensiteiten op de wegen nu al worden overschreden.
Voor een acceptabele en veilige verkeerssituatie zijn echter ook andere factoren zoals wegbreedte en de aanwezigheid van voorzieningen voor langzaam verkeer bepalend, zo is in het verkeersonderzoek gesteld. Daartoe zijn aanbevelingen gedaan.
De rechtbank is niet aannemelijk geworden dat het college het verkeersonderzoek van [naam] niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen en de getroffen of nog te treffen verkeersmaatregelen onvoldoende zijn om een verkeersveilige situatie te creëren. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat het college op
20 januari 2025 een verkeersbesluit heeft genomen, waarbij een 30 km-zone is ingesteld voor wegen in de nabijheid van de projectlocatie. De rechtbank stelt verder vast dat in de vergunningvoorschriften 5 en 10 is geborgd dat alle vereiste verkeersmaatregelen zijn getroffen voordat de woningen in gebruik zullen worden genomen.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
bij een verkeersveilige situatie dienen te prevaleren boven de belangen van gebruikers van landbouwvoertuigen, nog daargelaten dat hinder bij het passeren van verkeersdrempels door hen kan worden beperkt door tijdig snelheid te minderen.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Op grond van artikel 2 van Pro het “Paraplubestemmingsplan parkeren” dient bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw en/of voor het veranderen van de functie van een bouwperceel voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden. Daarbij dienen de normen zoals bedoeld in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 18 december 2018, in acht te worden genomen. Indien deze beleidsregels en/of de bijlagen daarbij gedurende de duur van de vergunning worden gewijzigd door het bevoegd gezag, dient rekening gehouden te worden met deze wijziging. De parkeernormen uit de beleidsregels en/of bijlagen zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag worden toegepast.
In vergunningvoorschrift 3 is bepaald dat een aantal van 68 parkeerplaatsen dient te worden gerealiseerd en in stand gehouden gedurende de duur van de vergunning. Met het aantal van 68 parkeerplaatsen wordt voldaan aan de geldende CROW parkeernorm voor ‘kamerverhuur, zelfstandig’ en ‘kleine, eenpersoonswoning’.
In vergunningvoorschrift 4 is bepaald dat de vergunninghouder erop dient toe te zien dat parkeren niet buiten het eigen terrein plaatsvindt.
Nota parkeernormen Meierijstad 2018 en de meest actuele CROW-publicatie uit 2024 geen specifieke kencijfers of parkeernormen zijn opgenomen voor opvanglocaties van ontheemden. Aangesloten is bij de parkeernorm van 0,8 per woning (inclusief
0,2 bezoekersparkeren) die op grond van de CROW-publicatie geldt voor de categorieën ‘kamerverhuur, zelfstandig’ en ‘kleine, eenpersoonswoning (Tiny house; meestal grondgebonden) in ‘rest bebouwde kom’. Met een parkeernorm van 0,8 per eenheid wordt ervan uitgegaan dat iets meer dan de helft van de toekomstige huishoudens een eigen auto bezit. Met een gemiddelde huishoudensgrootte van iets meer dan drie ontheemden per eenheid, is het onwaarschijnlijk dat een groot deel hiervan een tweede auto zal bezitten. Daarbij is ook gekeken, zo is gesteld, naar het autobezit onder de eerste bewoners van het complex en cijfers van het autobezit bij vergelijkbare opvanglocaties binnen de gemeente. Hieruit blijkt dat het autobezit van deze doelgroep relatief laag is. Men verwacht dat het autobezit onder toekomstige bewoners hierop zal aansluiten.
Met een parkeernorm van 0,8 per kamer met 96 wooneenheden bedraagt de totale parkeerbehoefte van dit woningtype 77 parkeerplaatsen, waarvan 58 parkeerplaatsen voor bewoners en 19 parkeerplaatsen voor bezoekers bestemd zijn. Omdat volgens het gemeentelijk parkeernormenbeleid bij de berekening van de parkeerbehoefte rekening mag worden gehouden met aanwezigheidspercentages, is in het verkeersonderzoek meegenomen dat bewoners en bezoekers van de beoogde wooneenheden dezelfde parkeervoorzieningen op eigen terrein niet altijd gelijktijdig gebruiken. De parkeerbehoefte bedraagt op basis van de in dit geval maatgevende werkdagavond dan 68 parkeerplaatsen. Omdat er op eigen terrein wordt voorzien in 70 parkeerplaatsen, wordt met dit aantal voldaan aan de geldende parkeernorm, zo is gesteld.
Niet in geschil is tussen partijen dat indien van een parkeernorm van 0,8 parkeerplaats per wooneenheid wordt uitgegaan, wordt voldaan aan deze norm en aan vergunning-
Overigens heeft het college in zijn verweer en ter zitting aangegeven dat mocht het noodzakelijk blijken om toch over meer parkeerplaatsen te beschikken op eigen terrein, er voldoende ruimte is om die te realiseren. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze stelling onjuist is.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
‘Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien: het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.’
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 [11] overweegt de rechtbank dat ook indien een omgevingsvergunning is verleend voor een termijn van
15 jaar de vergunde woningen tijdelijke bouwwerken zijn. De 96 tijdelijke woningen behoeven dan ook niet te voldoen aan redelijke eisen van welstand. Dat de locatie op grond van het bestemmingsplan “Landelijk gebied, Herijking” is gelegen in een cultuurhistorisch waardevol gebied leidt niet tot een ander oordeel, omdat artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo geen onderscheid maakt in soorten gebieden.
artikel 8:69a van de Awb aan eisers kan worden tegengeworpen.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ten slotte stellen eisers dat zij niet begrijpen dat het maatschappelijk belang in dit geval zou moeten prevaleren boven hun belang bij het niet realiseren van het projectplan, temeer nu er voldoende alternatieve locaties zijn en in de uitspraken van de voorzieningenrechters is geoordeeld dat de handelswijze van het college juridisch gezien niet deugt. Dit wekt bij eisers de indruk dat zij onvoldoende rechtsbescherming genieten.
Met betrekking tot de stelling van eisers dat er voldoende alternatieve locaties zijn, verwijst de rechtbank naar rechtsoverwegingen 44 tot en met 47.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart de beroepen tegen het bestreden besluit II ongegrond.
mr. J.H.G. van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr.J.F.M. Emons, griffier.
Informatie over hoger beroep
Crisis- en Herstelwet (oud)
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (oud)
Wet geurhinder en veehouderij (oud)
Bestemmingsplan “Landelijk Gebied”
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Herijking”
Paraplubestemmingsplan parkeren'
a. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw en/of voor het veranderen van de functie van een bouwperceel, dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden.
18 december 2018, in acht genomen te worden.
Omgevingsvergunning van 20 januari 2025
Wet Basisregistratie Personen (BRP) als zij langer dan vier maanden in Nederland verblijven.