De verzekeringsarts B&B heeft de conclusie van de primaire verzekeringsarts dat er sprake is van een andere ziekteoorzaak, onderschreven. Daartoe heeft de verzekeringsarts B&B in zijn rapport van 20 december 2024 het volgende overwogen:
“Uit het dossier blijkt dat bij de wachttijd tot 2020 sprake was van pijnklachten in de liesregio door een ongeval op werk, waarbij hij meerdere operaties heeft gehad. Eind 2021 meldt cliënt zich bij de huisarts met klachten in diezelfde regio, die cliënt zelf herkent
van de eerdere liesbreuk. Na verscheidene onderzoeken, inclusief een echo van het scrotum blijken echter geen aanwijzingen voor een (recidief) liesbreuk rechts. Cliënt wordt vanaf deze periode een aantal maal behandeld middels antibiotica voor een epididymitis (ontsteking van de bijbal). In september 2022 geeft de behandelend uroloog nog aan dat geen verklarende pathologie is aangetoond. In oktober 2022 wordt een echo van het scrotum herhaald, waarbij een beeld van milde orchitis rechts (ontstoken teelbal) wordt gezien, geen aanwijzingen voor een (recidief) liesbreuk.
In de in bezwaar ontvangen medische informatie wordt naar aanleiding van de klachten van eind 2021 steeds gesproken over epididymitis, geen aanwijzingen voor recidief liesbreuk.
Begin 2024 (maart) wordt gesproken over ‘pijn aan scrotum’; in oktober 2024 geeft de uroloog het volgende aan: “Besproken dat het klachten zijn die ontstaan zijn na de liesbreuk operaties en dat wij urologisch niets geks zien aan de testis”. In maart 2023 was tevens een korte brief, gericht aan een arts-medisch adviseur opgesteld, waarin wordt aangegeven dat “causaliteit tussen het ongeval en de operaties die patiënt heeft ondergaan niet aan te tonen dan uit te sluiten zijn” en “liesbreukoperaties kunnen een mogelijke verklaring zijn voor scrotale pijn”. Dit geeft aan dat de pijnklachten in de liesregio die cliënt ook reeds in 2020 had inderdaad door de operaties kunnen komen; de pijnklachten in de liesregio, waarvoor inmiddels ook al een procedure in hoger beroep heeft gespeeld, zijn nimmer weggeweest. Er zijn geen medische aanwijzingen dat die pijnklachten die cliënt sinds 2018 (de eerdere ziekmelding) heeft zijn toegenomen. Tot op heden zijn er geen (aanwijzingen voor een recidief liesbreuk. In het gesprek met verzekeringsarts Hoffman heeft cliënt zelfs nog aangegeven dat de klachten van pijn in de lies nog steeds aanwezig zijn en onveranderd zijn sinds de einde wachttijd WIA-beoordeling. Vanaf eind 2021 is wel sprake van bijkomende medische problematiek (ontstekingen van de bijbal) die in dezelfde regio zitten als de eerdere klachten in de lies rechts. Alleen uit het gegeven dat de klachten zich in dezelfde regio bevinden kan niet worden geconcludeerd dat er sprake is van dezelfde ziekteoorzaak. De ontstaansmechanismen van een liesbreuk (en niet geheel verklaarde pijnklachten, zoals bevestigd in hoger beroep) en een ontsteking in de bijbal zijn geheel verschillend. Er worden geen medische gegevens aangedragen die objectief weergeven dat de eerdere pijnklachten in de liesregio (na de laatste operatie in 2019) toegenomen zijn sinds 2021. Door verzekeringsarts Hoffman is bijkomend ook terecht opgemerkt dat de duur van ontstaan van de klachten eind 2021 een zeer lange incubatietijd hebben sinds de laatste operatieve ingreep in 2019 (zo’n 2,5 jaar).
De klachten die cliënt sinds eind 2021 ervaart en die voor toegenomen pijnklachten in de liesregio zorgen, worden blijkens de medische gegevens veroorzaakt door terugkerende ontstekingen van de bijbal, welke niet als dezelfde ziekteoorzaak kunnen worden gezien als de eerdere pijnklachten in de liesregio na meerdere operatieve ingrepen bij een liesbreuk.
Nu niet kan worden gesproken van dezelfde ziekteoorzaak als waarmee cliënt eerder de wachttijd heeft volgemaakt, is beoordelen of er sprake is van toegenomen beperkingen niet aan de orde.”