Uitspraak
tweede lid, van de Waterwet voor het lozen van afvalwater voor de inrichting van eiseres aan de [adres] in [vestigingsplaats] . Het gaat om de lozing van afvalwater via het persstation Moerdijk en de afvalwaterpersleiding (hierna ook: awp) voor Westelijk Noord-Brabant op de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) in Bath. De rwzi is in beheer bij het waterschap. Eiseres is het niet eens met een aantal vergunningvoorschriften.
1.1. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Zij vernietigt de revisievergunning gedeeltelijk en draagt het dagelijks bestuur op om een nieuw besluit te nemen in plaats van het vernietigde gedeelte. De rechtbank treft daarbij een voorlopige voorziening in afwachting van het nieuwe besluit.
1.2. Onder 2. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 3. staat het procesverloop. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Vooraf
- aantoonbaar in het afvalwater aanwezig zijn, te weten 39 al eerder vergunde parameters/stoffen en 1,2,4-trimethylbenzeen, 1,3,5-trimethylbenzeen, aluminium, acetaldehyde, cadmium, cumeen en formaldehyde;
- niet-aantoonbaar in het afvalwater aanwezig zijn, te weten 37 nieuwe parameters/stoffen.
- namens eiseres: haar gemachtigde mr. M.G.J. Maas-Cooymans, [naam] (senior milieuadviseur bij eiseres), [naam] (adviseur vergunningen bij [naam] ) en [naam] (milieuconsultant bij WSP);
- namens het waterschap: zijn gemachtigden en [naam] (statisticus, aanwezig via een videoverbinding);
- de voorschriften 11, 12, 16.5 en 17 (brief eiseres van 6 november 2023);
- de voorschriften 9.1, 9.3, 10.5 onder c, 10.7, 18.1 onder f, 18.2 en 21.3 (brief eiseres van 21 december 2023);
- de voorschriften 3.1 en 16.7 en bijlage 2.a, 2.b en 3 (brief eiseres van
- voorschrift 3.5 in samenhang met bijlage 6 (brief eiseres van 23 september 2024);
- de lozingseisen voor xyleen en rest-PAK in de voorschriften 3.2, 3.3, 4.1 en 4.2 en voorschrift 13.3 (zitting 15 oktober 2024).
artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), dient het dagelijks bestuur bij de beslissing op de vergunningaanvraag in acht te nemen dat de beste beschikbare technieken moeten worden toegepast.
Het dagelijks bestuur vindt de door eiseres bedoelde meldings- en goedkeuringsprocedure voor niet-detecteerbare stoffen niet nodig. Zodra de aanwezigheid van deze stoffen in het afvalwater meetbaar is, heroverweegt het dagelijks bestuur de vergunbaarheid van deze stoffen. Het is de intentie van het dagelijks bestuur om dan met eiseres in overleg te treden. De stoffen kunnen en moeten vervolgens via een gemotiveerde wijzigingsaanvraag worden genormeerd.
Op grond van voorschrift 10.5, aanhef en onder c, moet eiseres onderzoek doen naar geaccrediteerde analysemethoden voor deze stoffen. Uiterlijk 31 december 2023 dient dit onderzoek te zijn uitgevoerd en daarvan aan het dagelijks bestuur een rapport te zijn overgelegd.
Op grond van voorschrift 16.7 moet eiseres jaarlijks onderzoek doen naar de samenstelling van de deelstromen en de aanwezigheid van een selectie van deze stoffen. Uiterlijk 1 november van ieder jaar moet eiseres ten behoeve van het komende kalenderjaar een voorstel voor dit onderzoeksprogramma indienen bij het dagelijks bestuur.
Voor de stoffen die in de totaalstroom tijdens de reguliere lozingssituatie niet aantoonbaar aanwezig zijn, heeft eiseres in de aanvraag voorgesteld om, als een nieuwe stof meer dan eenmaal wordt aangetoond, in eerste instantie de monitoringsfrequentie te verhogen. In het geval de stof structureel in de lozing aangetoond blijft worden, zal eiseres met het waterschap in overleg treden over de dan ontstane situatie.
Het dagelijks bestuur vindt het in verband met risicobeheersing nodig dat eiseres een lozing van een niet vergunde stof inclusief de geloosde vracht zo spoedig mogelijk aan het waterschap meldt. Eiseres moet de in overleg met het waterschap overeengekomen maatregelen volgens het dagelijks bestuur zo snel mogelijk uitvoeren.
aanvraag. Eisers wil bereiken dat de documenten niet langer deel uitmaken van de
revisievergunning. Eiseres heeft in de beroepsfase om een nadere uitbreiding van de lijst met uitgezonderde documenten gevraagd. Daarbij heeft zij meer documenten genoemd dan in de zienswijze tegen de ontwerpvergunning. De rechtbank acht dit niet ongeoorloofd. In het omgevingsrecht geldt geen zogenoemde onderdelentrechter voor besluiten die met toepassing van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure tot stand zijn gekomen en die uit verschillende besluitonderdelen bestaan. Wat in artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald, is voor belanghebbenden bij besluiten op het gebied van omgevingsrecht niet in overeenstemming met artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus. [5]
13 veiligheidsinformatiebladen wordt geactualiseerd. Volgens eiseres is het voldoende dat zij de veiligheidsinformatiebladen bewaart en op verzoek beschikbaar stelt aan het waterschap.
- Formulier HD_reinigingsplan_02037140;
- Procedure/ Werkinstructie ‘standing_order_MVEO_Borging_verpomping_gele_vijver’;
- Rioleringstekeningen ‘TC6930001-bb’ en ‘-0003’;
- Uitdraai_database_WEC_vergunning_rode_riool;
- Alle MSDS’en (veiligheidsinformatiebladen);
- Alle normvoorstellen;
- Bijlage: Indeling_stoffen_conform_ATCN_2022-03-31;
- Saneringsplan Moerdijk.
vijf meetresultaten uit 2021. Met vijf metingen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden beoordeeld of de metingen representatief zijn. Verder is van belang dat de
19 januari 2023 en in overweging 11.2.4 van de revisievergunning is toegelicht dat voor laagfrequente metingen (12 metingen per jaar of minder) een eis met een
1% overschrijdingskans is afgeleid. De eis voor fenolen is afgeleid op basis van een laagfrequente meetreeks van 12 metingen per jaar. Gelet op het voorgaande hoort daarbij een overschrijdingskans van 1%.
Zilver
Voor tolueen is in de voorschriften 4.1 en 4.2 een voortschrijdende jaarvracht opgenomen van 117 kg/jaar, een etmaalmonster van 2,47 kg/etmaal en een VRG-10 van 1,1 kg/etmaal. Eiseres acht de voortschrijdende jaarvracht en de VRG-10 niet haalbaar. Voor tolueen heeft eiseres een VRG-10 van 2 kg/etmaal aangevraagd. Inmiddels is volgens eiseres een voortschrijdende jaarvracht van 150 kg en een VRG-10 van 2 kg/etmaal haalbaar gebleken.
negen uitschieters uit de meetgegevens van benzeen verwijderd en zes uitschieters uit de meetgegevens van tolueen. Eiseres heeft het verwijderen van de uitschieters die zich voordeden op 27 september 2019 bestreden. Die uitschieters zijn verwijderd, omdat de hoge benzeen- en tolueenemissies volgens het dagelijks bestuur samenhangen met de turnaround of onderhoudsstop van de MSPO2-fabriek in 2019. Eiseres heeft echter aannemelijk gemaakt dat dit verband ontbreekt. Het dagelijks bestuur had deze uitschieters dan ook niet buiten beschouwing mogen laten bij het afleiden van de bestreden lozingseisen. De bestreden lozingseisen zijn op dit punt niet op de juiste wijze afgeleid. De rechtbank zal het bestreden besluit op dit onderdeel vernietigen. Het dagelijks bestuur dient de VRG-10 voor benzeen en de voortschrijdende jaarvracht en VRG-10 voor tolueen opnieuw af te leiden met inachtneming van de betreffende uitschieters van 27 september 2019.
Naftaleen
25,1 kg/jaar opgenomen. In voorschrift 4.2 is een etmaalmonster van 0,52 kg/etmaal en een VRG-10 van 0,15 kg/etmaal opgenomen. Eiseres acht de jaarvracht en de VRG-10 niet haalbaar. Zij heeft alleen een etmaalmonster van 0,4 kg/etmaal aangevraagd. Volgens haar is een voortschrijdende jaarvracht van 35 kg/jaar en een VRG-10 van 0,35 kg/etmaal haalbaar.
Tussenconclusie
- voorschrift 3.2 vernietigen voor zover het de maximale voortschrijdende jaarvracht voor aluminium en titanium betreft;
- voorschrift 3.3 vernietigen voor zover het de VRG-10 en het etmaalmonster voor titanium betreft;
- voorschrift 4.1 voor zover het de maximale voortschrijdende jaarvracht voor tolueen en naftaleen betreft;
- voorschrift 4.2 voor zover het de VRG-10 voor benzeen, tolueen en naftaleen betreft.
Diversiteit parameters/normeringenAlgemeen
10 monstergemiddelde vracht.
10 monstergemiddelde concentratie weinig zinvol is, omdat deze direct is te herleiden uit een jaargemiddelde vracht of een 10 monstergemiddelde vracht en een gemiddeld debiet.
Het dagelijks bestuur heeft de lozingseis voor een VRG-10 voor de concentratie calcium en magnesium opgenomen voor de bescherming van de goede werking van het transportstelsel, het persstation en de awp.
10 opeenvolgende etmaalmonsters.
Voortschrijdende jaarvracht in combinatie met 10 monstergemiddelde vracht
10 monstergemiddelde vracht opgenomen.
10 monstergemiddelde vracht. Zij voert aan dat in de voorheen geldende watervergunning sprake was van een jaarvracht in plaats van een voortschrijdende jaarvracht. Daardoor had een 10 monstergemiddelde vracht (VRG-10) toegevoegde waarde als voorspeller voor het oplopen van de jaarvracht. Nu in de huidige vergunning een voortschrijdende jaarvracht staat, is een 10 monstergemiddelde vracht volgens eiseres niet meer nodig. Eiseres wil dat de lozingseisen van de 10 monstergemiddelde vracht voor deze drie stoffen vervallen. [11]
- in voorschrift 3.3 een VGG-jaar is opgenomen voor chroom, CZV, koper, nikkel, N-totaal, P-totaal en zink;
- in voorschrift 3.3 een VRG-10 is opgenomen voor fenolen, Kjeldahl-stikstof en titanium;
- in voorschrift 4.2 een VGG-jaar is opgenomen voor AOX.
Voorschrift 3.7: vervuilingswaarde
De verhouding van de hoeveelheid te lozen afvalwater/vervuilingswaarde mag in een voortschrijdend gemiddelde van 10 opeenvolgende volume proportionele etmaalmonsters, die niet noodzakelijkerwijs aaneengesloten genomen behoeven te zijn, maximaal 386 liter per inwonerequivalenten per dag bedragen.”
Daarnaast worden in de aanvraag de volgende geplande afwijkende activiteiten met een (incidentele) lozingen op het rood riool genoemd, te weten:
24 maanden na het van kracht worden van de vergunning te voldoen aan de maximale verhouding van 386 liter per inwonerequivalenten per dag. De rechtbank beschikt niet over de voorgaande vergunning en kan daarom niet beoordelen of dit juist is. De rechtbank stelt wel vast dat ook onder de oude vergunning partijen de praktijk hadden dat eiseres bij onderhoudsactiviteiten een milieuplan opstelt dat door het dagelijks bestuur wordt beoordeeld, en dat het dagelijks bestuur na beoordeling van het milieuplan de lozing door eiseres veelal toestond. De rechtbank leidt uit die praktijk af dat eiseres kennelijk ook onder de voorgaande vergunning niet altijd aan het toentertijd geldende voorschrift 3.7 kon voldoen.
The BAT-associated emission levels (BAT-AELs), for emissions to water given in Table 1, Table 2 and Table 3 apply to direct emissions to a receiving water body (…).” Hiermee wordt de reikwijdte van de emissiegrenswaarden beperkt tot directe lozingen op oppervlaktewater. Het bestreden besluit heeft echter geen betrekking op directe lozingen op oppervlaktewater. Het gaat immers om indirecte lozingen, waarbij het afvalwater door middel van een persleiding wordt afgevoerd naar de rwzi en pas na zuivering wordt geloosd op het oppervlaktewater. Het dagelijks bestuur heeft nog gewezen op de laatste zin van paragraaf 3.4, waarin staat: “
The BAT-AEL’s apply at the point where the emission leaves the installation”. Naar aanleiding daarvan is tussen partijen een discussie over het begrip “installatie” ontstaan. Wat daar ook van zij, deze zin doet er niet aan af dat de emissiegrenswaarden in paragraaf 3.4 alleen gelden voor directe lozingen op oppervlaktewater.
Tussenconclusie
Voorschrift 24.28 definieert een ‘steekmonster’ als een representatief, maar op een willekeurig moment, genomen monster van het afvalwater. Deze lozingseis is nieuw ten opzichte van de voorheen vergunde situatie.
Het gaat om een niet constante stroom die steekproefsgewijs wordt bemonsterd. Het voorschrift is bedoeld om te voorkomen dat er vanuit het laboratorium grote vrachten vrijkomen. Als een steekmonster wordt genomen op een moment waarop geen lozing van laboratoriumwater plaatsvindt, worden echter geen stoffen gedetecteerd. Aan de hand van steekmonsters kan ook geen vracht worden bepaald. De steekproefsgewijze meting is dan ook niet representatief voor het laboratoriumwater. Het gebrek aan representativiteit wordt versterkt doordat het laboratoriumwater niet als afzonderlijke deelstroom is te bemonsteren. De stroom is alleen te bemonsteren, nadat deze is vermengd met huishoudelijk afvalwater. Dat maakt dat de concentratie aan stoffen lager is.
De rechtbank stelt vast dat de revisievergunning geen verplichting bevat om de situatie zodanig te veranderen dat het laboratoriumwater als afzonderlijke deelstroom kan worden bemonsterd. Gelet op het StAB-rapport heeft het meten van deze niet constante stroom die bovendien vermengd is met een andere afvalwaterstroom als steekmonster weinig tot geen meerwaarde. Deze wijze van bemonstering van het laboratorium is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet doelmatig. De stelling van het dagelijks bestuur dat de controlevoorziening in dit voorschrift vooralsnog de enige mogelijkheid is in afwachting van onderzoek naar wat eiseres representatiever zou kunnen bemonsteren, maakt dit niet anders. Wat daarvan ook zij, daaruit volgt niet dat het voorschrift in de huidige situatie bijdraagt aan de met de verlening van de revisievergunning te dienen doelen en de daarmee te beschermen belangen. Het dagelijks bestuur heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom het er toch voor heeft gekozen om dit voorschrift op te leggen. De enkele verwijzing naar artikel 4.124 van het Activiteitenbesluit neemt dit motiveringsgebrek niet weg. Zoals het dagelijks bestuur zelf al zegt, is hoofdstuk 4 van het Activiteitenbesluit niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Dat neemt niet weg dat het dagelijks bestuur ervoor kan kiezen om deze lozingseisen op te leggen. Het moet die keuze echter wel deugdelijk motiveren. Daarin is het dagelijks bestuur niet geslaagd.
Voor de lozing van niet-snel biologisch afbreekbare stoffen (ABM A-stoffen: aluminium, chroom, ethylbenzeen, koper, styreen, titaan, tolueen, vanadium, zilver, zink, 1,2,4-trimethylbenzeen en 1,3,5-trimethylbenzeen, moet de lozing door vergunninghouder worden beëindigd dan wel, indien dat niet mogelijk is, geprobeerd worden om zo dicht mogelijk bij een nullozing te komen, in 2030.”
Voor de lozing van afbreekbare stoffen (B-stoffen) en stoffen die van nature in het oppervlaktewater voorkomen (C-stoffen), opgenomen in bijlage 11.a stoffenlijst, moet door vergunninghouder de lozing zoveel mogelijk worden voorkomen.”
Het dagelijks bestuur heeft erkend dat cyaniden ten onrechte zijn aangemerkt als ZZS.
Bijlage 11a wordt ten aanzien van cyaniden, ethylbenzeen en styreen ten aanzien van de hieronder genoemde aspecten als volgt gewijzigd:
Voorschrift 13.5 en 13.6 in samenhang met bijlage 11a
Van vacuümwagens en apparatuur, die als laatste inhoud een stof bevat die voorkomt op lijst-B, lijst-C en lijst-D (kolom ‘Saneringsinspanning lijst-A/B/C/D’ in bijlage 11.a), mag het spoelwater en schoonmaakwater vanaf 1 januari 2024 niet meer worden geloosd.”
De waterfase van tank T906, die als laatste inhoud een slop bevat met een stof die voorkomt op lijst-B, lijst-C en lijst-D (kolom ‘Saneringsinspanning lijst-A/B/C/D’ in bijlage 11.a), mag vanaf 1 januari 2024 niet meer worden geloosd.”
Bijlage 11.a bevat een stoffenlijst aantoonbare stoffen.
bijlage 11a.
voorschrift 13.6 is gebaseerd op de aanvraag van eiseres. Eiseres heeft juist wel een lozing uit T906 aangevraagd. Zij heeft niet aangegeven dat zij die lozing vóór 1 januari 2024 zal beëindigen. Toch heeft het dagelijks bestuur deze lozing vanaf 1 januari 2024 geweigerd. Uit het bestreden besluit blijkt niet wat de reden is voor deze weigering. De verwijzing door het dagelijks bestuur naar de ABM en de vereiste saneringsinspanning/voorbehandeling die als een rode draad door de vergunning zou lopen, maakt dit niet anders. Die “rode draad” is niet toegespitst op de weigering in voorschrift 13.6. Het dagelijks bestuur had een op de weigering van deze deelstroom toegespitste afweging moeten maken. Dat heeft het dagelijks bestuur niet gedaan. De rechtbank zal dit voorschrift dan ook vernietigen, omdat het niet deugdelijk is gemotiveerd.
vierde lid, gaat het dagelijks bestuur in een geval als bedoeld in het derde lid, onderdeel b of c, niet tot intrekking over, voor zover kan worden volstaan met wijziging of aanvulling van de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen.
De bemonstering, conservering en analyses van de in deze vergunning genoemde parameters moeten worden uitgevoerd conform de methoden, zoals opgenomen in bijlage 5 van deze vergunning.”
Gebaseerd op het artikel "Analysis of Aldehydes in Water by Head Space-GC/MS. Journal of Health Science. 47(1) 21-27 (2001)”.”
NEN 6633 (2006)”.
Indien uit onderzoeksresultaten blijkt dat met andere analysemethoden gelijkwaardige resultaten kunnen worden bereikt als die met de in voorschrift 16.4 bedoelde methoden, mogen die, na verkregen toestemming van het dagelijks bestuur worden gebruikt.”
Jaarlijks, uiterlijk op 1 april, dient opgave te zijn gedaan aan het dagelijks bestuur van de volgende op het voorafgaande kalenderjaar betrekking hebbende gegevens:
Jaarlijks, uiterlijk op 1 april, dient opgave te zijn gedaan aan het dagelijks bestuur van de volgende op het voorafgaande kalenderjaar betrekking hebbende gegevens:
Jaarlijks, uiterlijk op 1 april, dient opgave te zijn gedaan aan het dagelijks bestuur van de volgende op het voorafgaande kalenderjaar betrekking hebbende gegevens:
Steeds binnen een maand na afloop van een kalenderkwartaal dient opgave te zijn gedaan aan het dagelijks bestuur van de op de betreffende kalenderkwartaal betrekking hebbende gegevens van de schakelingen naar en lozing vanuit een afvalwaterbuffertank:(…)d. de afvalwaterhoeveelheid;e. de vracht van de betreffende individuele stof(fen);(…);h. de afvalwaterhoeveelheid in een afvalwaterbuffertank aan begin en eind van een etmaal;i. de vracht aan individuele stoffen in een afvalwaterbuffertank aan het begin en eind van een etmaal.”
Volgens de StAB betreft het hier geen overbodige informatie waarom wordt verzocht, omdat het ook mogelijk is om naar een afvalwaterbuffertank te schakelen wanneer er geen sprake is van een stoplozing of ongewoon voorval. De onderdelen d. en e. van voorschrift 18.3 maken, anders dan eiseres stelt, de onderdelen h. en i. ook niet overbodig. Het zijn namelijk andere gegevens: onderdelen d. en e. vragen om de vracht en de hoeveelheid stoffen die naar een tank worden geleid of vanuit een tank worden geloosd, terwijl de onderdelen i. en h. vragen om de totaalvracht van alle stoffen die in de tank aanwezig zijn. Soms zullen deze gegevens van elkaar af te leiden zijn (bij het vullen van een lege tank of het volledig legen van een tank), maar dit hoeft niet altijd zo te zijn. De rapportageplicht uit de onderdelen h. en i. is daarbij volgens de StAB voor eiseres maar een zeer beperkte last bovenop onderdelen d. en e., mits de onderdelen h. en i. worden aangepast. Hierover merkt de StAB op dat voorschrift 18.3, onder h en i, nu zo is geformuleerd dat eiseres dagelijks moet meten en/of berekenen welke vrachten aan stoffen er in de buffertanks aanwezig zijn, ook wanneer niet wordt geloosd. Als het voorschrift zo zou worden aangepast dat de registratie- en rapportageplicht alleen geldt wanneer er daadwerkelijk lozing vanuit de buffertanks plaatsvindt, zou het voorschrift voor eiseres minder belastend zijn.
Deze beroepsgrond slaagt.
“
19.1 Van de bedrijfsvoering dient de volgende informatie schriftelijk te worden vastgelegd:(…);c. datums van lozen van hemelwater uit de tankputten met schakeling naar rood riool en het gemeten TOC-gehalte;(…).19.2 De in voorschrift 19.1 bedoelde informatie dient zo regelmatig te worden bijgehouden dat het steeds inzicht geeft in de meest actuele stand van zaken. De informatie dient gedurende vijf jaar te worden bewaard en moet te allen tijde door het dagelijks bestuur kunnen worden ingezien.”
Het dagelijks bestuur wijst erop dat in de aanvraag is opgenomen dat het hemelwater uit de tankputten wordt bemonsterd voordat het wordt geloosd. Als de bepaling van het TOC-gehalte (nog) niet snel genoeg kan gebeuren, is het volgens het dagelijks bestuur een voorlopige oplossing om het TOC-gehalte achteraf, na lozing, te analyseren op het laboratorium en de rapportage hiervan vast te leggen in het logboek. Volgens het dagelijks bestuur is dat een (voorlopige) oplossing die ook past binnen voorschrift 19.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
“
Jaarvracht: De maximale vracht uitgedrukt in kg per jaar bepaald op basis van een gewogen gemiddelde concentratie van n dagvrachten (in kg/m3) vermenigvuldigd met de jaar afvoerhoeveelheid. De gewogen gemiddelde concentratie dient te worden herleid uit de getotaliseerde gewichtshoeveelheden en het totale volume van de dagen waarover de monsters zijn genomen. De dagvrachten dienen te worden bepaald over een periode van 365 dagen met een regelmatige verdeling. Meetwaarden lager dan de rapportagegrens dienen te worden vervangen door een waarde ter grootte van de helft van de rapportagegrens. Indien de geloosde gehaltes allen lager zijn dan de rapportagegrens, is de jaarvracht 0 kg”.
0,5 maal de rapportagegrens wel een gangbare mogelijkheid is.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
49.1. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting zal de rechtbank de zaak zoveel mogelijk zelf afdoen. Daarom zal de rechtbank op een aantal onderdelen op de hierna te melden wijze zelf in de zaak voorzien. [22] 49.2. De rechtbank voegt op verzoek van partijen nog een punt toe. De rechtbank zal de kop van voorschrift 13. vernietigen omdat deze onvoldoende duidelijk is. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door de vernietigde tekst te vervangen door:
“Stoffenaanpak Procedure Industrial Cleaning (ME) en lozen van spoelwater vacuümwagens op de spuitplaats ten zuiden van het Service Centrum, schoonmaakwater apparatuur op de spuitplaats ten zuiden van het Service Centrum en waterfase natte slopstank T906.”
49.3. De rechtbank kan de zaak echter niet op alle punten zelf afdoen. De reden daarvoor is dat het dagelijks bestuur op een aantal onderdelen nader onderzoek zal moeten doen en bepaalde onderdelen van de aanvraag opnieuw zal moeten beoordelen. Daarom zal de rechtbank ook bepalen dat het dagelijks bestuur met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen op de hierna te melden onderdelen van de aanvraag. De rechtbank stelt het dagelijks bestuur daarvoor een termijn van zes maanden. [23] 49.4. De vernietiging van het bestreden besluit heeft onder meer betrekking op lozingseisen, die zullen worden vervangen door nieuwe lozingseisen. Totdat de nieuwe lozingseisen in werking zijn getreden, bestaat er onduidelijkheid over de lozingseisen die eiseres dient na te leven totdat de nieuwe lozingseisen in werking zijn getreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om een voorlopige voorziening treffen ten aanzien van de lozingseisen voor aluminium, titanium, benzeen, tolueen en naftaleen. [24] Daarbij houdt de rechtbank rekening met de lozingseisen die eiseres haalbaar acht (overwegingen 23.1, 25.1, 28 en 29). De rechtbank zal bepalen dat de voorlopige voorziening vervalt met ingang van de dag waarop het nieuwe besluit in werking treedt.
€ 4.535,00 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hierbij gaat de rechtbank uit van 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van een zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek met een waarde per punt van € 907,00 en een wegingsfactor 2.
a. het dictum van het bestreden besluit voor zover daarin niet expliciet is geweigerd om de lozing van hemelwater uit de rode vijver te vergunnen;
b. het dictum van het bestreden besluit voor zover daarin is nagelaten de in overweging 19 met bullet points aangegeven documenten op te nemen in de lijst van documenten die geen onderdeel zijn van de revisievergunning;
c. voorschrift 3.2 voor zover daarin de maximale voortschrijdende jaarvracht voor aluminium en titanium is bepaald op resp. 200 en 312 kg/jaar;
d. voorschrift 3.3 voor zover daarin:
- het maximale etmaalmonster voor titanium is bepaald op 1,58 kg/etmaal;
- een VRG-10 is opgenomen voor fenolen, Kjeldahl-stikstof en titanium;
- een VGG-jaar is opgenomen voor chroom, CZV, koper, nikkel, N-totaal, P-totaal en zink;
e. voorschrift 4.1 voor zover daarin de maximale voortschrijdende jaarvracht voor naftaleen en tolueen is bepaald op respectievelijk 25,1 en 117 kg/jaar;
f. voorschrift 4.2 voor zover daarin:
- de VRG-10 voor benzeen, naftaleen en tolueen is bepaald op resp. 5 kg/etmaal, 0,15 kg/etmaal en 1,1 kg/etmaal;
- een VGG-jaar is opgenomen voor AOX;
g. de voorschriften 5 tot en met 8.1;
h. voorschrift 9.2 voor zover hierin de stoffen “ethylbenzeen” en “styreen” worden genoemd;
i. de kop van voorschrift 13.: “Stoffenaanpak Procedure Industrial Cleaning (ME) en lozen van spoelwater vacuümwagens op de spuitplaats, schoonmaakwater apparatuur op de spuitplaats en de waterfase natte slopstank T906”;
j. voorschrift 13.6;
k. voorschrift 18.1, onder d en h;
l. voorschrift 18.3, onder h en i, voor zover daarin niet de zinsnede “waarin is geloosd” achter het woord “etmaal” is opgenomen;
m.de in bijlage 5 bij de revisievergunning genoemde analysemethode voor acetaldehyde;
n. bijlage 11a bij de revisievergunning, voor zover deze bijlage betrekking heeft op:
h. de lozing van hemelwater uit de rode vijver.
bepaalt dat de volgende documenten zullen worden toegevoegd aan de lijst van uitzonderingen in onderdeel III van het dictum van het bestreden besluit:
“Stoffenaanpak Procedure Industrial Cleaning (ME) en lozen van spoelwater vacuümwagens op de spuitplaats ten zuiden van het Service Centrum, schoonmaakwater apparatuur op de spuitplaats ten zuiden van het Service Centrum en waterfase natte slopstank T906.”;
* ter plaatse van de ‘meetinrichting awp’:
- mag aluminium in een voortschrijdende jaarvracht niet meer bedragen dan 1.100 kg/jaar;
- mag titanium in een voortschrijdende jaarvracht niet meer bedragen dan 400 kg/jaar en mag titanium in enig volumeproportioneel etmaalmonster niet meer bedragen dan 9 kg/etmaal;
* ter plaatse van de ‘meetinrichting awp slangepomp’:
- mag benzeen als voortschrijdend gemiddelde van 10 opeenvolgende volumeproportionele etmaalmonsters (VRG-10), die niet noodzakelijkerwijs aaneengesloten genomen behoeven te zijn, niet meer bedragen dan 8 kg/etmaal;
- mag tolueen in een voortschrijdende jaarvracht niet meer bedragen dan 150 kg/jaar en mag de VRG-10 van tolueen niet meer bedragen dan 2 kg/etmaal;
- mag naftaleen in een voortschrijdende jaarvracht niet meer bedragen dan
35 kg/jaar en mag de VRG-10 van naftaleen niet meer bedragen dan 0,35 kg/etmaal;
mr. R. Grimbergen, leden, in aanwezigheid van mr.M.J.A.B. Elsman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.