ECLI:NL:RBOBR:2025:8456

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
24/2325
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergunningaanvraag voor wijziging paardenhouderij en bouw verblijfsaccommodatie in Valkenswaard

Deze uitspraak betreft de afwijzing van een vergunningaanvraag door het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant. Eiseres had een aanvraag ingediend voor het wijzigen van haar paardenhouderij en de bouw van een verblijfsaccommodatie in Valkenswaard. De rechtbank oordeelt dat de aanvraag terecht is afgewezen, omdat deze onvoldoende inzicht bood in de samenhang tussen de aangevraagde activiteiten. Hierdoor was onduidelijk of er sprake was van één project of twee afzonderlijke projecten. Daarnaast ontbrak een passende beoordeling van de effecten van de activiteiten op het nabijgelegen Natura 2000-gebied 'Leenderbos'. De rechtbank concludeert dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen en verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer op 23 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/2325

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: ing. [naam]),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant,het college
(gemachtigden: mr. M. Box en mr. T.J.H. Verstappen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam], uit [vestigingsplaats]
(gemachtigde: drs. [naam]),

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, voor het wijzigen van haar paardenhouderij aan de [adres]. Eiseres is het hiermee niet eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.2.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 24 april 2023 een aanvraag ingediend voor het wijzigen van haar paardenhouderij en evenementenlocatie en de bouw van verblijfsaccommodatie aan de [adres]. Daarna heeft zij de aanvraag diverse keren aangevuld. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 15 april 2024 afgewezen omdat niet uitgesloten is dat de aangevraagde activiteit significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van die gebieden, waaronder het "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" (Leenderbos).
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld. Hiertoe heeft de rechter-commissaris op 11 juni 2025 de projectlocatie bezocht, in het bijzijn van alle partijen die bij de beroepszaak betrokken zijn.
2.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Eiseres heeft bij brief van 12 juni 2025 een aanvullend beroepschrift en een deskundigenrapport ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met de zaken SHE 25/223, SHE 25/699 en SHE 25/786, op 24 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [naam], [naam] en [naam] en de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college, vergezeld door [naam] en [naam] en namens de derde-partij [naam], [naam] en de gemachtigde.
2.6.
De zaak is aangehouden met het oog op overleg tussen partijen. Dit overleg heeft niet geresulteerd in een overeenstemming. De samenstelling van de meervoudige kamer is gewijzigd. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld aan te geven of zij hiertegen bezwaren hebben en of zij prijs stellen op een tweede zitting. Dat is niet het geval en daarom heeft de rechtbank het onderzoek gesloten met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet natuurbescherming (Wnb) is ingediend voor r het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk voor dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om handhaving van de Wnb is gedaan op 10 augustus 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden
  • Op 30 oktober 1990 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard (B&W) een revisievergunning verleend op grond van de Hinderwet voor een fokvarkens- en paardenhouderij aan de [adres]. Op 1 maart 2005 is voor deze inrichting een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer (Wm). Op 6 augustus 2015 heeft B&W de milieuvergunning voor de inrichting aan de [adres] gedeeltelijk ingetrokken. De inrichting viel tot 1 januari 2024 onder de werking van het op die datum vervallen Activiteitenbesluit milieubeheer. De milieuvergunning is per die datum gelijkgesteld met een omgevingsvergunning beperkte milieutoets als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
  • Op 22 december 1992 is een milieuvergunning verleend
  • Voor beide locaties zijn géén vergunningen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 of de Wet natuurbescherming verleend.
  • In de nabijheid van beide locaties ligt onder meer het Natura 2000-gebied Leenderbos. Dit gebied is gelegen op een afstand van circa 1.000 m ten oosten en circa 400 m ten noordwesten van de percelen aan de [adres]. Het gebied is aangewezen als Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied. De natuurdoelanalyse van 27 januari 2023 voor dit gebied concludeert dat de instandhouding van alle habitats onder druk staat en dat verslechtering niet is uitgesloten.
  • Op 25 mei 2023 heeft de raad van de gemeente Valkenswaard het bestemmingsplan "[naam]" gewijzigd vastgesteld, mede ten behoeve van de ontwikkeling van een verblijfsaccommodatie aan de [adres]. De in dit besluit vastgestelde bestemming is geschorst door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 17 januari 2024
  • Ondertussen heeft eiseres op 10 juni 2024 een nieuwe aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit (een natuurvergunning) ten behoeve van een project dat zowel de percelen aan de [adres] als [adres] omvat maar zonder verblijfsaccomodatie. De derde-partij heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 25/223. De derde-partij organiseert al jaren evenementen in het outdoorseizoen. Hiertoe worden sinds 2015 ook paarden tijdelijk gehuisvest in de oude stallen op perceel [adres].
  • De derde-partij heeft desgevraagd ter zitting van de voorzieningenrechter aangegeven dat stallen C, D, E en G op het perceel [adres] zijn gebouwd, evenals de tijdelijke stallen S1 en S2 en dat in de voormalige varkensstallen op de [adres] alleen tijdens evenementen paarden worden gehouden (dus niet jaarrond).
Beoordeling beroepsgronden
5. In het bestreden besluit heeft het college zich nog op het standpunt gesteld dat de vervoersbewegingen verkeerd zijn gemodelleerd in de aanvraag en de bijbehorende AERIUS-berekening. Naar aanleiding van de hierop betrekking hebbende beroepsgrond heeft het college in het verweerschrift aangegeven dat dit, achteraf gezien, geen aanleiding had hoeven zijn voor weigering van de omgevingsvergunning.
5.1.
Volgens eiseres was de aanvraag voldoende duidelijk en kon de gevraagde natuurvergunning wel worden verleend. Eiseres ziet het als één project. Zelfs als sprake zou zijn van twee projecten dan staat dit niet in de weg aan intern salderen. Dit is al in de zienswijzen aangevoerd maar het college gaat hieraan voorbij. Er is sprake van een inrichting die haar eigen activiteiten herstructureert, zonder dat dit tot extra stikstofdepositie leidt. De uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 [3] zou geen gevolgen moeten hebben voor een aanvraag die voor die tijd is ingediend. Eiseres verwijst in het aanvullend beroepschrift naar een ecologisch rapport van Buro Maerland van 4 juni 2024 met een nadere onderbouwing van de effecten van het initiatief door toename van verkeersbewegingen, lichtverstoring en toename van geluid. Hieruit blijkt dat significant negatieve effecten van de activiteiten op het Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten.
5.2.
Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat mogelijke negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de beoogde situatie niet zijn uit te sluiten. Het college is niet duidelijk geworden of sprake is van één project of twee losse projecten, een paardenhouderij met evenementencentrum enerzijds en een verblijfsaccommodatie anderzijds. Het college ziet mogelijke gevolgen voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied door verstoring door onder meer toename van geluid en licht door de evenementen. Het effect van deze verstoring is onvoldoende inzichtelijk gemaakt in de aanvraag. Ook onduidelijk zijn de effecten als gevolg van de aanlegfase van de verblijfsaccommodatie. De aanvraag is verder inconsistent over de vervoersbewegingen. In het verweerschrift benadrukt het college dat eiseres de verhouding tussen de afzonderlijke activiteiten op beide locaties onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Weliswaar kan op basis van een aanvraag, met een besluit een natuurvergunning worden verleend voor verschillende projecten maar dan moeten de effecten van die projecten wel allemaal afzonderlijk zijn beoordeeld. Dat is hier niet gebeurd.
5.3.
Op 18 december 2024 [4] heeft de Afdeling haar rechtspraaklijn over intern salderen gewijzigd. Die wijziging komt er in de kern op neer dat intern salderen niet meer mag worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning nodig is. Intern salderen met de referentiesituatie mag als mitigerende maatregel betrokken worden in de passende beoordeling van de gevolgen van het project. Deze wijziging acht de Afdeling direct van toepassing in lopende en toekomstige vergunning- en handhavingsprocedures.
5.4.
De rechtbank zal de rechtmatigheid van het bestreden besluit met inachtneming van de nieuwe rechtspraak van de Afdeling beoordelen. De uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 is namelijk gebaseerd op wetgeving en op rechtspraak van het Europese Hof van Justitie [5] die al bestond ten tijde van de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit.’
5.5.
De rechtbank verwijst verder naar haar uitspraak van heden in de zaak SHE 25/223. Wanneer een project, dat beschikt over een natuurtoestemming of een milieutoestemming van voor de referentiedatum die nadien is gecontinueerd, niet langer als een-en-hetzelfde project wordt voortgezet, is sprake van een gewijzigd en daarmee van een nieuw project. Dat nieuwe project is het bestaande project zoals dat na de wijziging zal worden voortgezet. [6] Ook in dit geval voorziet de aanvraag in een wijziging van de bestaande projecten.
5.6.
In de uitspraak van 24 september 2025 [7] heeft de Afdeling overwogen dat een aanvraag voor een natuurvergunning betrekking moet hebben op alle activiteiten die samen één project vormen. Op die wijze is gewaarborgd dat de gevolgen van het gehele project voor de relevante Natura 2000-gebieden bij de beoordeling van een vergunning worden betrokken. De beoordeling van de gevolgen van het gehele project moet uitgangspunt zijn van de voortoets en van de passende beoordeling. Dit kan ook worden afgeleid uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), waarin meermalen is geoordeeld dat een passende beoordeling betrekking heeft op alle aspecten van een plan of project (zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 11 april 2013 [8] ). Het opknippen van een project is dan ook in strijd met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. De vraag of bepaalde activiteiten samen één project vormen is afhankelijk van de feiten en omstandigheden in het concrete geval. Van belang bij de vraag of bepaalde activiteiten samen één project of afzonderlijke projecten zijn, is onder meer of de activiteiten naar aard, tijd en ruimte van elkaar te onderscheiden zijn, of er sprake is van een onlosmakelijke samenhang en of de ene activiteit een noodzakelijke voorwaarde is om de andere activiteit te kunnen uitvoeren.
5.7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de aanvraag terecht afgewezen omdat deze onvoldoende inzicht bood over de samenhang tussen de aangevraagde activiteiten. Daardoor is onduidelijk of er nu één project of twee projecten zijn aangevraagd. Bovendien ontbeert de aanvraag een passende beoordeling van de overige effecten van de aangevraagde activiteiten.
5.8.
De rechtbank stelt op basis van de plaatsopneming vast dat de gestelde referentiesituatie aan de [adres] niet als een-en-hetzelfde project kan worden beschouwd als het project waarvoor vergunning is verleend. De referentiesituatie aan de [adres] had betrekking op het houden van vleesvarkens, gespeende biggen en in mindere mate paarden en pony’s. Het aangevraagde project ziet onder meer op een verblijfsaccommodatie aan de [adres]. Dat is heel iets anders dan een varkenshouderij. Reeds daarom is sprake van salderen en is een vergunning vereist. Met verwijzing naar rechtsoverweging 4.9 van de uitspraak van heden in de zaak SHE 25/223, is de rechtbank verder van oordeel dat in de aanvraag niet wordt onderbouwd dat hervatting van de milieuvergunde activiteit aan de [adres] zonder natuurvergunning kan plaatsvinden. Salderen mag als mitigerende maatregel worden betrokken bij vergunningverlening. In de aanvraag is niet gemotiveerd dat het behoud van de staat van instandhouding door het treffen van instandhoudingsmaatregelen is gewaarborgd, dan wel dat het herstel van de staat van instandhouding mogelijk blijft. De aanvraag is ook op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 4.10 van de uitspraak van heden in de zaak SHE 25/223.
5.9.
Het college heeft terecht overwogen dat uit de passende beoordeling niet de zekerheid is verkregen dat het aangevraagde project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Het effect van deze toename van verstoring als gevolg van het aangevraagde project is onvoldoende inzichtelijk gemaakt. De rechtbank ziet in de aanvullende passende beoordeling geen aanleiding voor een ander oordeel. De rapportage is na het bestreden besluit kort voor de zitting ingediend. Van het college kan niet worden verwacht dat zij hierop kan reageren. Daarbij valt niet in te zien waarom de rapportage niet veel eerder had kunnen worden ingediend. Onder deze omstandigheden is het indienen van de rapportage in strijd met een goede procesorde en ziet de rechtbank geen aanleiding deze rapportage bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit te betrekken.
5.10.
De rechtbank concludeert dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is het beroep ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht moet vergoeden en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. K.A. Maarschalkerweerd en mr. J.H.G. van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet natuurbescherming
Artikel 2.7
(…)
2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
Artikel 2.8
Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.

Voetnoten

1.De vergunning uit 1992 zit niet bij de stukken, de andere vergunningen wel.
4.ECLI:NL:RVS:2024:4923. Hierna wordt naar de rechtsoverwegingen in deze uitspraak verwezen. De Afdeling heeft op dezelfde dag ook een andere uitspraak over deze materie gedaan. Zie ECLI:NL:RVS:2024:4909.
5.arresten van 10 november 2022, ECLI:EU:C:2022:864 en 15 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:477.
6.Zie rechtsoverweging 17.5 en verder van de uitspraak van 18 december 2024 ECLI:NL:RVS:2024:4923
8.ECLI:EU:C:2013:220