Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:1336

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
12024133_E03032026
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 7:671b lid 1 onder a BWArt. 7:671b lid 2 BWArt. 7:671b lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslagverbod tijdens ziekte verhindert ontbinding arbeidsovereenkomst gymleraar

De zaak betreft een arbeidsconflict tussen Stichting Best Onderwijs (SBO) en een gymleraar die sinds 2018 bij SBO werkt. SBO verzocht de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen, disfunctioneren, verstoorde arbeidsverhouding en cumulatiegrond. De werknemer was sinds oktober 2025 arbeidsongeschikt na een incident waarbij hij twee klassen kort zonder toezicht liet.

De kantonrechter oordeelt dat het opzegverbod tijdens ziekte de ontbinding van de arbeidsovereenkomst verhindert, omdat onvoldoende is aangetoond dat de ontbindingsgronden losstaan van de arbeidsongeschiktheid. Het incident en de communicatieproblemen hangen samen met de ziekte van de werknemer. Ook is niet gebleken dat ontbinding in het belang van de werknemer is.

Daarnaast is de loonstop die SBO oplegde onterecht, omdat de werknemer recht heeft op loondoorbetaling tijdens ziekte. SBO wordt veroordeeld tot nabetaling van loon met wettelijke verhoging en rente. De schorsing wordt opgeheven en de proceskosten worden grotendeels toegewezen aan de werknemer. De arbeidsovereenkomst blijft dus in stand en de werknemer moet meewerken aan re-integratie zodra mogelijk.

Uitkomst: Het ontbindingsverzoek wordt afgewezen vanwege het opzegverbod tijdens ziekte; SBO moet loon nabetalen en de schorsing opheffen.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 12024133 EJ VERZ 25-728
Beschikking van 3 maart 2026
in de zaak van:
STICHTING BEST ONDERWIJS,
gevestigd in Best,
verzoekende partij,
verwerende partij in de (voorwaardelijke) zelfstandige tegenverzoeken,
verwerende partij in het provisioneel verzoek,
hierna te noemen: SBO,
gemachtigde: mr. M.A.J. Brouwers,
tegen
[verweerder],
wonend in [woonplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in de (voorwaardelijke) zelfstandige tegenverzoeken,
verzoekende partij in het provisioneel verzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. M. van Benthem.

1.Deze arbeidszaak in het kort

1.1.
[verweerder] is sinds 2018 werkzaam als gymleraar op meerdere basisscholen binnen SBO. Vanaf medio 2024 zijn er strubbelingen ontstaan over de omvang en invulling van de functie van [verweerder] , zijn functioneren en houding, en het verloop van de re-integratie. Daarbij komt dat er in het najaar van 2025 een incident heeft plaatsgevonden ( [verweerder] heeft twee klassen kort zonder zijn toezicht in de gymzaal achtergelaten). SBO heeft de kantonrechter op 24 december 2025 verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerder] , disfunctioneren, een verstoorde arbeidsverhouding of een combinatie van omstandigheden. Dit op de kortst mogelijke termijn en zonder toekenning van een transitievergoeding. [verweerder] verzet zich daartegen, onder meer met een beroep op het opzegverbod tijdens ziekte. De omstandigheden waarop SBO het ontbindingsverzoek baseert kunnen niet volledig los worden gezien van zijn arbeidsongeschiktheid en het is ook niet in het belang van [verweerder] dat de arbeidsovereenkomst eindigt. Hij wil zodra het weer kan aan de slag als gymleraar, een vak waar zijn passie ligt, maar dan moet SBO eerst de schorsing opheffen en excuses aanbieden. Daarnaast moet SBO zijn loon vanaf 29 oktober 2025 nabetalen (onterechte loonstop) en de reële proceskosten van € 7.284,20 voldoen. Als de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, maakt hij verder aanspraak op de betaling van een transitievergoeding van € 17.774,56 bruto en een billijke vergoeding van € 175.000,00 bruto.
1.2.
De kantonrechter is van oordeel dat het opzegverbod tijdens ziekte in de weg staat aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het ontbindingsverzoek van SBO wordt daarom afgewezen. De arbeidsovereenkomst tussen partijen blijft dus in stand. Verder moet SBO aan [verweerder] nog loon nabetalen en de schorsing opheffen. Rehabilitatie is echter niet aan de orde en ook zijn de reële proceskosten niet toewijsbaar. De kantonrechter zal dit hierna aan de hand van het wettelijk kader en de relevante standpunten van partijen motiveren, maar eerst wordt het verloop van de procedure weergegeven en geschetst wat er voorafgaand aan deze procedure is gebeurd (de feiten).

2.Het verloop van de procedure

2.1.
Het dossier van de kantonrechter bevat deze processtukken:
- het verzoekschrift van SBO met 23 bijlagen, ontvangen op 24 december 2025,
- het verweerschrift van [verweerder] met (voorwaardelijke) zelfstandige tegenverzoeken en provisioneel verzoek met 6 bijlagen, ontvangen op 16 januari 2026,
- de aanvullende bijlagen 24 tot en met 29 van SBO, ontvangen op 21 januari 2026,
- de opnieuw ingediende bijlage 25 (inclusief tijdlijn) van SBO, ontvangen op 23 januari 2026,
- de aanvullende bijlage 7 van [verweerder] , ontvangen op 26 januari 2026,
- de spreekaantekeningen van mr. M.A.J. Brouwers.
2.2.
Op 27 januari 2026 heeft de kantonrechter de zaak tijdens een mondelinge behandeling met de aanwezigen besproken. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Van de kant van SBO waren tijdens de mondelinge behandeling aanwezig [A] (directrice basisschool [basisschool 2] ), [B] (bestuurder SBO), [C] (P&O manager SBO) en de gemachtigde mr. M.A.J. Brouwers. Van de andere kant was Gerwen aanwezig met zijn gemachtigde mr. M. van Benthem.
2.3.
Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft [verweerder] zijn provisionele verzoek ingetrokken, omdat SBO op verzoek van de kantonrechter heeft toegezegd dat zij met ingang van 1 januari 2026 de loonbetaling met emolumenten zal hervatten en dat eveneens de eindejaarsuitkering van 2025 zal worden uitgekeerd. In deze beschikking hoeft dus geen oordeel meer te worden gegeven over het provisionele verzoek.
2.4.
Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat 3 maart 2026 schriftelijk uitspraak wordt gedaan over het ontbindingsverzoek van SBO en de (voorwaardelijke) zelfstandige tegenverzoeken van [verweerder] . In de tussentijd hebben partijen de gelegenheid gehad om in onderling overleg alsnog een oplossing te bereiken. Bij e-mails van 3 februari 2026 hebben de gemachtigden laten weten dat dit niet is gelukt.

3.De feiten

3.1.
SBO exploiteert binnen de gemeente Best meerdere basisscholen in het regulier onderwijs.
3.2.
[verweerder] (geboren op [geboortedatum] 1982) is op 21 februari 2018 in dienst getreden als gymleraar bij SBO. Vervolgens heeft hij op verschillende basisscholen gewerkt binnen SBO. Ook is hij in de loop van de tijd naast zijn functie als gymleraar coördinerende taken binnen SBO gaan vervullen. Laatstelijk werkt hij uitsluitend als gymleraar op de basisscholen [basisschool 1] (1 dag in de week) en [basisschool 2] (3,5 dag per week). De arbeidsomvang bedraagt uiteindelijk 0,9 FTE (36 uur per week) en het laatstverdiende loon is € 5.788,80 bruto. In chronologische volgorde kan de omvang (FTE) en inhoud (functie) van zijn arbeidsovereenkomst bij SBO als volgt worden samengevat:
Periode
FTE, functie(s) en locatie(s)
21 februari 2018 – 1 augustus 2018
0,35 FTE gymleraar [basisschool 1]
1 augustus 2018 – 21 februari 2019
0,5 FTE gymleraar [basisschool 1]
21 februari 2019 – 1 augustus 2020
0,5 FTE gymleraar [basisschool 1] +
0,5 FTE gymleraar [basisschool 3]
1 augustus 2020 – 1 juni 2023
0,5 FTE coördinator sport & bewegen +
0,5 FTE gymleraar [basisschool 2] [1]
1 juni 2023 – 8 juli 2024
0,3 FTE coördinator vakdocenten LO +
0,7 FTE gymleraar [basisschool 2]
8 juli 2024 – 15 juli 2025
0,3 FTE gymleraar [basisschool 1] +
0,7 FTE gymleraar [basisschool 2]
15 juli 2025 – heden
0,2 FTE gymleraar [basisschool 1] +
0,7 FTE gymleraar [basisschool 2]
3.3.
In de periode van 21 februari 2018 tot en met medio augustus 2024 heeft [verweerder] in het algemeen goed gefunctioneerd. Ook is toen de samenwerking tussen SBO en [verweerder] prima verlopen.
3.4.
Op 19 augustus 2024 is [verweerder] volledig arbeidsongeschikt geraakt. Hierover staat in de probleemanalyse van de bedrijfsarts ( [bedrijfsarts 1] ) van 26 september 2024 onder meer het volgende genoteerd:
“medische klachten door een combinatie van factoren.”Verder is in die probleemanalyse vermeld:
“Omgaan met conflicten. Sterk beperkt (…)” en “eigen gevoelens uiten. Beperkt, brengt anderen in verwarring door onduidelijke, onvoorspelbare of onconventionele wijze van gevoelsuitingen.”
3.5.
Medio oktober 2024 is [verweerder] (langzaam) gestart met het opbouwen van werkzaamheden en vanaf 18 augustus 2025 is [verweerder] weer volledig aan het werk. In de tussenliggende periode heeft [verweerder] regelmatig contact gehad met de bedrijfsarts. Uit de verslagen van de bedrijfsarts blijkt onder andere herhaaldelijk dat:
“ [verweerder] ervaart op dit moment nog beperkingen in werk met veelvuldige deadlines en productiepieken, het hanteren van conflicten en uiten van de eigen emotie. De balans tussen belasting en belastbaarheid blijft daarnaast kwetsbaar."
3.6.
Op 21 oktober 2025 heeft er een incident op school plaatsgevonden. Dat had betrekking op het feit dat [verweerder] (kort) niet aanwezig was bij een schoolklas in de gymzaal die op dat moment onder zijn toezicht stond. Ook tijdens de les erna was [verweerder] (kort) niet aanwezig bij de leerlingen in de gymzaal.
3.7.
Op 24 oktober 2025 heeft [verweerder] zich arbeidsongeschikt gemeld.
3.8.
Daarna, maar nog op dezelfde dag, heeft [B] (bestuurder SBO) een brief aan [verweerder] gestuurd met als onderwerp:
“disciplinaire maatregel”.In deze brief van 24 oktober 2025 staat:
“(…) Op 21 oktober jl. hebben wij geconstateerd dat je in je functie als vakleerkracht lichamelijke opvoeding, tijdens twee afzonderlijke lesmomenten de aan jou toevertrouwde klas zonder toezicht hebt achtergelaten in de gymzaal. Deze leerlingen vallen gedurende de les onder de verantwoordelijkheid van de school en daarmee onder jouw directe toezicht en zorgplicht als docent. Door het ontbreken van toezicht is de veiligheid van de leerlingen potentieel in gevaar gebracht, hetgeen in strijd is met de geldende normen en verwachtingen ten aanzien van professioneel en verantwoordelijk handelen binnen het onderwijs. (…)
Wij hebben dezelfde dag met je in contact proberen te treden. Echter kregen we geen contact met je. Daarop heeft [A] je een e-mail verzonden met het verzoek hierop te reageren. Helaas heb je aan dit verzoek geen gehoor gegeven. Op 23 oktober jl. hebben wij je op de hoogte gebracht dat wij voornemens zijn je een officiële waarschuwing te geven voor eerdergenoemde situatie. (…) Wij hebben je uitgenodigd om op 24 oktober met [A] en [C] hierover in gesprek (hoor en wederhoor) te gaan. Daarop heb je je op 24 oktober ziek gemeld. Je bent niet verschenen op onze afspraak op 24 oktober om 11.30 uur.
Deze recente ziekmelding is niet volgens de afgesproken procedure verlopen. Zoals eerder met je besproken, dient een ziekmelding telefonisch te worden doorgeven aan de directie vóór aanvang van de werkdag. Je melding per e-mail voldoet hier niet aan. [A] heeft geprobeerd contact met je op te nemen, maar kreeg geen gehoor.
In het verleden hebben er meerdere incidenten plaatsgevonden, waarover we je separaat bericht hebben. Je begrijpt dat wij dit gedrag niet accepteren. Naar onze mening is er sprake van plichtsverzuim zoals gesteld in artikel 3.14 lid 2 van de cao. Hierbij delen wij jou dan ook mee dat wij jou hierbij een schriftelijke waarschuwing geven. Wij verwachten dat je alsnog in gesprek gaat met ons op 29 oktober 2025 om 09.00 uur op het bestuurskantoor. Verschijn je niet op deze afspraak, is er wederom sprake van plichtsverzuim (en voldoe je niet aan je re-integratieverplichtingen). Wij zijn dan genoodzaakt een salarisstop in te zetten per 29 oktober 2025.
Gedurende de periode tot aan het gesprek van 29 oktober 2025 ontzeggen wij je de toegang tot gebouwen en het terrein van [basisschool 1] en [basisschool 2] . Tevens benadrukken wij dat het niet is toegestaan gebruik te maken van jouw zakelijke e-mailaccount en de zakelijke digitale systemen. (…)”
3.9.
Bij brief van 29 oktober 2025 is de eerder aangekondigde loonstop aan [verweerder] opgelegd. Deze loonstop is van kracht tot het moment dat hij alsnog met SBO in gesprek gaat. Daarnaast is in de hiervoor genoemde brief medegedeeld dat ook de eerder opgelegde schorsing (lees: toegang tot de gebouwen en het terrein van basisscholen [basisschool 1] en [basisschool 2] , en gebruik van zakelijke mail en digitale systemen) in stand blijft.
3.10.
Op 31 oktober 2025 is [verweerder] op het spreekuur bij de bedrijfsarts ( [bedrijfsarts 2] ) verschenen. Naar aanleiding daarvan is het volgende vastgelegd:
“Bevindingen/beperkingen/mogelijkheden
Betrokkene ervaart forse spanningsklachten en heeft in dat kader zijn behandelaar bezocht die tot rust maant en hem door verwijst naar de bedrijfsarts.
Actueel zijn er beperkingen voor omgaan met stress, emoties, conflicten, incidenten, werk- en taakdruk, langdurige concentratie, langer verblijven in een drukke- en rumoerige ruimte.
Advies
Ik acht betrokkene actueel en ook in afwachting van aanvullende informatie (hoor- en wederhoor) arbeidsongeschikt wegens ziekte.
Dit tijdelijk om er onderliggend sprake is van arbeidsconflict dat beslecht dient te worden. Langdurig verzuim is hier geen oplossing.
Prognose
Arbeidsgerelateerd
Ja”
3.11.
Bij brief van 5 november 2025 heeft de gemachtigde van SBO - kort gezegd - aan [verweerder] laten weten dat de loonstop wordt gehandhaafd totdat [verweerder] in gesprek treedt met SBO en dat [verweerder] disfunctioneert.
3.12.
In reactie daarop heeft [verweerder] bij brief van 6 november 2025 kenbaar gemaakt dat de loonstop onterecht is, omdat hij arbeidsongeschikt is en hij recht heeft op loondoorbetaling tijdens ziekte. Verder schrijft hij dat sprake is van een arbeidsconflict en dat hij het advies van de bedrijfsarts wenst af te wachten voordat hij deelneemt aan een gesprek met SBO.
3.13.
In de periode daarna (november en december 2025) heeft (de gemachtigde van) SBO meermaals en op verschillende manieren geprobeerd contact op te nemen met [verweerder] , hem uitgenodigd (en op 27 november 2025 verplicht) om deel te nemen aan een gesprek met SBO, een extra consult voor [verweerder] geregeld bij de bedrijfsarts en [verweerder] opgedragen dat hij de bedrijfsarts moet machtigen zijn verzuimdossier bij de vorige bedrijfsarts op te vragen. Volgens SBO heeft [verweerder] echter nergens op gereageerd en/of aan meegewerkt.
3.14.
In deze periode is [verweerder] weer bij de bedrijfsarts ( [bedrijfsarts 2] ) geweest, en wel op 21 november 2025. In het verslag van het spreekuur is vermeld:
“De eerder genoemde beperkingen zijn nog steeds aanwezig.
Onderhoudend is de verstoorde arbeidsrelatie.
Betrokkene is bereid tot een gesprek en ik acht hem daartoe instaat ondersteunt door zijn partner of een derde die hij kan aanwijzen.
Ik adviseur tot dat gesprek het contact met hem te minimaliseren zodat hij wat meer tot rust kan komen.
Mocht dit gesprek geen perspectief bieden richting een oplossing adviseer ik direct daarna mediation in te zetten met een onafhankelijke en gecertificeerde mediatior.
Revisie 6 weken op locatie.”
3.15.
Op enig moment heeft [verweerder] zijn excuses aan SBO aangeboden voor het incident van 21 oktober 2025. Verder heeft zijn gemachtigde op 14 januari 2026 schriftelijk aan SBO laten weten dat:
“ [verweerder] ziet in dat hij met zijn manier van reageren op de door SBO opgevoerde druk ook zelf niet heeft bijgedragen aan een optimale werkrelatie. Hij zal in het vervolg zijn ziekmelding (ook) telefonisch doorgeven. Daarnaast zal hij de communicatie met SBO in een zo klein mogelijke kring voeren en daarin geen ouders/collega’s betrekken. Voor het te groot maken van de communicatiekring biedt [verweerder] zijn excuses aan.”In het verweerschrift heeft [verweerder] nogmaals zijn excuses aangeboden voor
“het niet soepel verlopen van het re-integratietraject voor zover hij daar zelf debet aan is geweest.”
3.16.
Op 2 december 2025 heeft SBO een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. Dat ziet op de vraag of [verweerder] voldoende heeft gedaan voor de re-integratie.
3.17.
Op 24 december 2025 heeft SBO een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter ingediend.
3.18.
Op 27 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling bij de kantonrechter plaatsgevonden. Op dat moment was de schorsing en de loonstop nog van kracht. Ook was er toen nog geen deskundigenoordeel van het UWV ontvangen. Partijen verschillen van mening waarom het oordeel toen nog niet gereed was. Verder was [verweerder] nog steeds arbeidsongeschikt.

4.De beoordeling van alle verzoeken

Inleiding
4.1.
In deze zaak staan twee vragen centraal, namelijk:
Moet de arbeidsovereenkomst tussen partijen tot een einde komen?
Heeft [verweerder] aanspraak op nabetaling van loon over de periode vanaf 29 oktober 2025 tot 1 januari 2026 (anders gezegd: was de loonstop terecht)?
Bij de beantwoording van beide vragen speelt volgens partijen de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] een rol.
4.2.
Hierna wordt om te beginnen het door SBO ingediende ontbindingsverzoek behandeld. Daarna komt het door [verweerder] ingediende zelfstandige tegenverzoek over de loonstop aan bod. Aan beide verzoeken zijn enkele nevenverzoeken gekoppeld, zoals de verkorte einddatum van de arbeidsovereenkomst, de betaling van vergoedingen, het opheffen van de schorsing en het aanbieden van excuses. Ook die verzoeken passeren, voor zover relevant, de revue.
Het ontbindingsverzoek
Wettelijk kader ontbinding arbeidsovereenkomst
4.3.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. [2] In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [3] Verder is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [4] Daarnaast mag een opzegverbod niet aan ontbinding in de weg staan. [5]
Standpunten partijen
4.4.
SBO heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden. Daartoe heeft zij (in deze volgorde) een beroep gedaan op: verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond), disfunctioneren (d-grond), verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en de cumulatiegrond (i-grond). Daarbij komt dat volgens SBO sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de kant van [verweerder] , zodat de arbeidsovereenkomst onmiddellijk en zonder transitievergoeding moet worden beëindigd. [6] Er zijn al langere tijd problemen met betrekking tot het functioneren en de houding van [verweerder] . Ook schoot hij tijdens de arbeidsongeschiktheid tekort in de op hem rustende re-integratieverplichtingen. De communicatie verloopt uiterst moeizaam. Bovendien heeft er op 21 oktober 2025 een ernstig incident plaatsgevonden, waarbij de veiligheid van de leerlingen op het spel stond. Volgens SBO blokkeert een opzegverbod niet de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het verzoek tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst houdt immers geen verband met een opzegverbod, maar is gebaseerd op de hiervoor genoemde redelijke gronden en een groot deel van de daaraan ten grondslag gelegde omstandigheden bestond al voor de ziekmelding op 24 oktober 2025. Van belang is ook dat [verweerder] wel nevenwerkzaamheden uitvoert, zodat er bij SBO ernstige twijfel bestaat of hij wel daadwerkelijk arbeidsongeschikt is. Verder draagt instandhouding van de arbeidsrelatie niet bij aan het herstel van [verweerder] , want dit is al de derde keer sinds de aanvang van de arbeidsovereenkomst met SBO dat hij is uitgevallen (mede) door werk gerelateerde factoren.
4.5.
[verweerder] is het daar om verschillende redenen niet mee eens. Hij wil dan ook dat het ontbindingsverzoek wordt afgewezen. In de eerste plaats heeft SBO de volledigheids- en waarheidsplicht geschonden. [7] Dat komt erop neer dat SBO in het verzoekschrift een onvolledig, onjuist en daarmee misleidend beeld heeft neergezet. Meer specifiek gaat dit over het ten onrechte niet ingaan op de inhoud van (het verloop van) de arbeidsongeschiktheid en een onjuiste vermelding van de eerste ziektedag (SBO noemt 19 augustus 2024 in plaats van 24 oktober 2025). In de tweede plaats verhindert het opzegverbod tijdens ziekte wel degelijk de gevraagde ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De verwijten die SBO [verweerder] maakt, kunnen niet volledig worden geabstraheerd van zijn arbeidsongeschiktheid. Zo wijst hij er onder andere op dat zijn conflict mijdende handelen (mede) het gevolg is van zijn arbeidsongeschiktheid. Ook het gebrek aan communicatie dat hem verweten wordt, vloeit voort uit de beperkingen van [verweerder] in het hanteren van omgaan met conflicten en emoties. Daarnaast is het niet in zijn belang dat de arbeidsovereenkomst eindigt, integendeel. Zijn gezondheid is juist gebaat bij een stabiele werkomgeving en uit niets volgt dat er alleen maar sprake zou zijn van een verslechtering. In de derde plaats heeft SBO zich onvoldoende ingespannen om tot herplaatsing van [verweerder] te komen. In de vierde plaats is geen enkele door SBO aangedragen ontslaggrond voldragen en is ernstig verwijtbaar handelen al helemaal niet aan de orde. [verweerder] benadrukt dat SBO (nog) niet beschikt over een deskundigenoordeel over de vermeende schending van de re-integratieverplichtingen. Hij heeft niet structureel en stelselmatig zijn re-integratieverplichtingen geschonden (er is slechts sprake geweest van één instructie door SBO). Tot medio 2024 was er niets aan te merken op zijn functioneren en daarna heeft hij geen redelijke/serieuze kans gekregen om waar nodig iets te verbeteren. Ook heeft SBO geen kansen benut om de verstoorde arbeidsrelatie te herstellen.
4.6.
De details en nadere stellingen van partijen komen hierna, voor zover van belang, aan de orde.
Geen schending artikel 21 Rv Pro
4.7.
De kantonrechter is van oordeel dat ten aanzien van de naar voren gebrachte feiten en omstandigheden sprake is van hierna inhoudelijk te beoordelen aspecten van de zaak waarover partijen slechts van mening verschillen (met name de vraag naar de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] en de eventuele gevolgen daarvan). Dat is iets anders dan een schending van de uit artikel 21 Rv Pro voortvloeiende verplichtingen. SBO heeft dus gewoon haar visie op de zaak gegeven zonder daarbij de kantonrechter op een listige wijze op het verkeerde been te willen zetten.
Opzegverbod tijdens ziekte
4.8.
Het opzegverbod tijdens ziekte beoogt de werknemer te beschermen tegen een ontslag wegens ziekte en tegen verkorting van de termijn voor het vinden van ander werk, en heeft mede ten doel de werknemer te vrijwaren van de psychische druk die een ontslagaanzegging tijdens zijn ziekte kan veroorzaken. [8]
4.9.
Vast staat dat [verweerder] op 24 oktober 2025 is uitgevallen wegens arbeidsongeschiktheid en dat hij tijdens het indienen van het ontbindingsverzoek door SBO op 24 december 2025 bij de kantonrechter nog steeds arbeidsongeschikt was. Dit laatste is het relevante toets moment voor de vraag of sprake is van een opzegverbod. Op basis van de in het dossier aanwezige processtukken moet ervanuit worden gegaan dat [verweerder] op 24 december 2025 nog steeds arbeidsongeschiktheid was. Hierbij baseert de kantonrechter zich met name op de meest recente verslagen van de bedrijfsarts, namelijk die van 31 oktober 2025 en 21 november 2025. Daarnaast is door [verweerder] tijdens de mondelinge behandeling op 27 januari 2026 onweersproken gesteld dat het nog altijd niet goed met hem gaat en dat hij daarom onder meer onder behandeling is bij de huisarts en de psycholoog.
Er was tijdens de mondelinge behandeling geen actueler rapport van de bedrijfsarts beschikbaar. Verder gaat de kantonrechter voorbij aan het standpunt van SBO dat sprake zou zijn van een doorlopende ziekteperiode vanaf 19 augustus 2024 (in plaats van 24 oktober 2025 als eerste ziektedag). Uit de processtukken blijkt immers voldoende dat [verweerder] op 18 augustus 2025 weer volledig arbeidsgeschikt was en zijn werkzaamheden vanaf het nieuwe schooljaar volledig heeft hervat. Dat hij daarna mogelijk kort/incidenteel afwezig is geweest onder werktijd wegens eventuele privéproblemen en/of dat hij een bepaalde taak nog niet (volledig) naar behoren heeft opgepakt, maakt dat niet anders. Daarvoor heeft SBO namelijk onvoldoende aangedragen. De discussie over de uitvoering van vermeende nevenwerkzaamheden van [verweerder] laat de kantonrechter verder buiten beschouwing, omdat SBO dit onvoldoende heeft onderbouwd.
4.10.
Het voorgaande betekent dat het opzegverbod tijdens ziekte in beginsel aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat. Dat is alleen anders in twee gevallen (uitzonderingen op de hoofdregel).
4.11.
De eerste uitzondering ziet op de situatie dat het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen verband houdt met de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. [9] Meer specifiek: er dient geen oorzakelijk verband te bestaan tussen een bepaalde situatie, gebeurtenis of beperking en de onmogelijkheid of verminderde mogelijkheid om arbeid te verrichten. Beoordeeld moet dus worden of de feiten en omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag liggen (e-, d-, g- en i-grond) (ook) een redelijke grond voor ontbinding vormen als de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] wordt ‘weggedacht’. [10] Als dat het geval is, staat het opzegverbod niet aan ontbinding in de weg. Van belang hierbij is dat het gaat om een uitzondering op een zogeheten ‘tijdens-opzegverbod’ (dat in beginsel absoluut is), en het ligt dan ook in de rede dat niet te gemakkelijk wordt aangenomen dat er geen verband is.
4.12.
De tweede uitzonderingsituatie op de hoofdregel is aan de orde indien sprake is van omstandigheden waardoor de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen. [11] Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een zieke werknemer van wie de gezondheid alleen maar verslechtert door het in stand laten van de arbeidsovereenkomst. [12]
4.13.
Een zieke werknemer kan niet behoorlijk voor zijn recht opkomen en hoort zich tijdens zijn ziekte geen bijkomende zorgen te hoeven maken over het behouden van zijn arbeidsovereenkomst. [13] Daarom moeten beide hiervoor genoemde uitzonderingen op de hoofdregel terughoudend worden toegepast. [14]
4.14.
Het ligt op de weg van SBO als werkgever om te stellen, te onderbouwen en zonodig te bewijzen, dat zich een uitzonderingsituatie voordoet. SBO heeft zich op alle twee de uitzonderingen beroepen.
Ontbindingsverzoek houdt verband met de ziekte
4.15.
De kantonrechter is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat er geen verband is tussen de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] en de door SBO aangevoerde ontbindingsgronden (uitzonderingssituatie 1). Dit wordt toegelicht als volgt.
Verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond)
4.16.
Duidelijk is dat de directe aanleiding voor indiening van dit verzoekschrift is gelegen in het incident dat op 21 oktober 2025 is voorgevallen (lees: [verweerder] heeft twee klassen op die dag (kort) zonder zijn toezicht in de gymzaal achtergelaten). Enkele dagen later heeft [verweerder] zich ziekgemeld en daarna is er, volgens SBO, nauwelijks nog contact met hem te krijgen. Hij communiceert simpelweg niet of in elk geval niet naar behoren. Mede daarom komt hij zijn re-integratieverplichtingen niet na. Zo weigert hij in gesprek te gaan met SBO, terwijl de bedrijfsarts hem daartoe wel in staat acht. Zelfs een loonstop heeft geen effect. Ook vertraagt [verweerder] onnodig het proces bij het UWV over het door haar aangevraagde deskundigenoordeel en vertelt hij niet de waarheid, aldus SBO. [verweerder] voert hiertegen verweer, met name door aan te voeren dat zijn weigering om aan alle instructies van SBO te voldoen niet volledig los kan worden gezien van zijn mentale toestand en daarmee zijn voortdurende arbeidsongeschiktheid.
4.17.
Op basis van de gegeven feiten en omstandigheden, is de kantonrechter in deze situatie van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat het uitblijven van een reactie (door het voeren van een gesprek daarover) na het incident van 21 oktober 2025 tenminste voor een deel zijn oorsprong vindt in de bij [verweerder] vastgestelde (aanhoudende) beperkingen in het sociaal functioneren, en meer specifiek het vermijden van conflicten door hem.
In het verdere vervolg van de tijd (november en december 2025) zijn de verhoudingen tussen partijen steeds verder onder druk komen te staan door allerlei perikelen die verband houden met de re-integratie en die perikelen kunnen evenmin los worden gezien van de ziekte van [verweerder] . Gedurende deze gehele periode heeft [verweerder] door zijn beperkingen immers niet met SBO kunnen communiceren op de wijze waarop een gezond persoon dat wel zou hebben gedaan. De kantonrechter concludeert dat onvoldoende gebleken is dat er geen verband bestaat tussen de ziekte en de omstandigheden die SBO aan de e-grond ten grondslag heeft gelegd.
4.18.
Bij dit alles tekent de kantonrechter aan dat het door SBO aangevraagde deskundigenoordeel van het UWV tijdens de mondelinge behandeling nog niet voor handen is. [15] Dit moet voor rekening en risico van SBO komen. Mede doordat dit deskundigenoordeel ontbreekt, kan niet worden vastgesteld dat [verweerder] structureel en stelselmatig zijn re-integratieverplichtingen heeft geschonden. Verder rekent de kantonrechter het incident van 21 oktober 2025 [verweerder] wel aan, maar niet dusdanig zwaar dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten in de zin van de wet. [16] Hierbij is de omstandigheid betrokken dat [verweerder] tijdens de mondelinge behandeling tekst en uitleg heeft gegeven over de reden waarom hij kort tijdens de les afwezig was en dat erop neerkomt dat hij een leerling een dienst wilde bewijzen. Inmiddels ziet [verweerder] in dat hij daarbij anders had kunnen en moeten handelen. Overigens heeft de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling geconstateerd dat er (slechts) sprake is geweest van één incident, namelijk het hiervoor genoemde incident op 21 oktober 2025, en dat het dus niet juist is dat SBO in haar verzoekschrift betoogt dat sprake is van incidenten.
4.19.
De conclusie is dat de kantonrechter de omstandigheden die op de e-grond aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd, niet kan abstraheren van de ziekte van [verweerder] waarop het opzegverbod betrekking heeft.
Disfunctioneren (d-grond)
4.20.
SBO stoelt het disfunctioneren van [verweerder] in essentie op een gebrek aan communicatie, verantwoordelijkheid en zelfinzicht. Niet is echter komen vast te staan dat SBO [verweerder] vóór zijn ziekmelding op 24 oktober 2025 voldoende in kennis heeft gesteld dat hij om die redenen ongeschikt is voor de uitoefening van de functie, en dat hij in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld zijn functioneren op deze onderdelen te verbeteren. [17] Sterker nog, partijen zijn het erover eens dat [verweerder] in ieder geval tot begin/medio 2024 naar tevredenheid heeft gefunctioneerd en dat de samenwerking ruim zes jaar lang prima is verlopen. Pas na de ziekmelding, en wel op 5 november 2025, heeft SBO in een brief concreet melding gemaakt van disfunctioneren. Weliswaar heeft SBO in het verzoekschrift aangestipt dat [verweerder] daarvoor meerdere malen is aangesproken, maar dat heeft SBO verder niet onderbouwd. Na de ziekmelding (24 oktober 2025) komt uit de verslagen van de bedrijfsarts een duidelijk beeld naar voren dat [verweerder] meerdere beperkingen heeft op het vlak van sociaal functioneren, zoals omgaan met conflicten, stress, spanningen en emoties. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende aannemelijk dat deze beperkingen invloed (kunnen) hebben gehad op de manier van communiceren en handelen van [verweerder] in de periode vanaf zijn ziekmelding, in die zin dat de bij [verweerder] geconstateerde beperkingen (ook) tot uiting (kunnen) zijn gekomen in een verminderd vermogen tot (adequaat en redelijk) communiceren en zich coöperatief opstellen richting SBO en/of anderen. SBO had na de ziekmelding pas op de plaats moeten maken en geduld moeten betrachten in het voeren van een gesprek over dit alles.
4.21.
Vanwege al deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat in de door SBO aangevoerde feiten en omstandigheden die betrekking hebben op disfunctioneren van [verweerder] , (ook) een redelijke grond voor ontbinding zou zijn gelegen wanneer de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] wordt weggedacht.
Verstoorde arbeidsverhouding (g-grond)
4.22.
Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsverhouding inmiddels is verstoord, maar onvoldoende is gebleken dat op het moment dat [verweerder] zich ziek heeft gemeld (24 oktober 2025) al sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding, laat staan dat die verhouding ernstig en duurzaam is verstoord. Als de ziekte van [verweerder] dus wordt weggedacht, zijn er niet zodanige omstandigheden die als voldragen g-grond kunnen leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Zoals hiervoor reeds is overwogen, lijkt het incident op 21 oktober 2025 en de daaropvolgende ziekmelding de directe aanleiding te zijn voor de ontstane frictie tussen partijen, die volgens SBO vooral ziet op een uiterst moeizame communicatie en houding vanaf 21 oktober 2025. En juist die problemen en houding kunnen niet volledig los worden gezien van de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] .
4.23.
In dit kader verwijst de kantonrechter verder naar wat hiervoor bij de d-grond is overwogen. Ook de g-grond kan SBO daarom niet losweken van de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] en die toestand staat daarom nu aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg.
Cumulatiegrond (i-grond)
4.24.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, kan ontbinding op de i-grond (combinatie van omstandigheden) evenmin aan de orde zijn. De omstandigheden die aan de andere redelijke gronden ten grondslag zijn gelegd, kunnen immers niet worden meegenomen omdat deze gronden elk voor zich niet voldragen zijn en bovenal omdat het opzegverbod daaraan nu eenmaal in de weg staat. Als in deze omstandigheden wel een ontbinding op de i-grond wordt toegestaan zou dat een inbreuk maken op de hoofdregel, zoals die hiervoor is uitgelegd. Daarvoor is die grond niet bedoeld.
Einde arbeidsovereenkomst is niet in het belang van [verweerder]
4.25.
Dat de ontbinding moet worden uitgesproken omdat dat in het belang van [verweerder] is, is niet gebleken (uitzonderingssituatie 2). Uit de jurisprudentie volgt dat dit aan de orde kan zijn, met name in gevallen waarin de arbeidsrelatie (of een eventuele verstoring daarvan) in de weg staat aan een verbetering van de medische situatie van de werknemer. Dat kan de kantonrechter op basis van de beschikbare processtukken zonder speculatie daarover niet vaststellen. [verweerder] heeft benadrukt waarom hij belang heeft bij re-integratie met terugkeer naar een vertrouwde werkomgeving. Dat heeft SBO onvoldoende betwist. Het belang van [verweerder] ligt ook in het feit dat hij wettelijk het recht heeft op het mogen beleven van maximaal twee ziektejaren met daarbij de kans om verder te herstellen en te re-integreren, eventueel in een andere functie of in een tweede spoor traject.
Bewijs
4.26.
Ook aan bewijslevering komt de kantonrechter niet toe. De omstandigheden waarvan SBO heeft aangeboden bewijs te leveren, kunnen niet tot een ander oordeel leiden.
Conclusie
4.27.
De conclusie is dat het verzoek van SBO zal worden afgewezen en dat de arbeidsovereenkomst niet wordt ontbonden. Er bestaat dus nog een arbeidsovereenkomst tussen SBO en [verweerder] . Dat betekent dat er over en weer voor partijen verplichtingen gelden. In het geval van [verweerder] betekent dit dat hij zich – zodra dat mogelijk is gelet op zijn ziekte – coöperatief moet opstellen en dient mee te werken aan zijn re-integratie. Omdat er nog een arbeidsovereenkomst bestaat, komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van de door [verweerder] subsidiair verzochte vergoedingen (transitievergoeding, billijke vergoeding en cumulatievergoeding). Deze verzoeken zijn immers ingediend onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden.
Het (tegen)verzoek tot (na)betaling van loon
Loonstop niet terecht
4.28.
[verweerder] verzoekt met terugwerkende kracht betaling van zijn loon over de periode van 29 oktober 2025 (ingangsdatum loonstop) tot 1 januari 2026 (de dag dat SBO tijdens de mondelinge behandeling heeft toegezegd de loonbetaling met emolumenten te zullen hervatten). SBO heeft – samengevat – de loonbetaling stopgezet, omdat: 1) [verweerder] ondanks waarschuwingen niet in gesprek (over vermeend plichtsverzuim/het incident) wil gaan met SBO, en 2) hij de bedrijfsarts niet wil machtigen het dossier bij de vorige bedrijfsarts op te vragen. [verweerder] voert hiertegen gemotiveerd verweer.
4.29.
De kantonrechter is van oordeel dat SBO onterecht de betaling van het loon over de hiervoor genoemde periode heeft stopgezet, en wel hierom. [18]
4.30.
Die loonstop is begonnen omdat SBO wilde dat [verweerder] alsnog met haar in gesprek zou gaan over zijn plichtsverzuim. Het nalaten daarvan door [verweerder] kan echter gelet op het voorgenomen gespreksonderwerp niet worden geduid als het niet voldoen aan re-integratieverplichtingen. SBO wilde kennelijk [verweerder] aanspreken op andere verplichtingen en daarmee had het voorgenomen gesprek een ander karakter. Gelet op de aard van de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] , had het in het vervolg op de weg van SBO gelegen om pas op de plaats te maken en hem geen druk op te leggen door hem telkens op (te) korte termijn op te roepen voor een gesprek. Het is niet redelijk om op dezelfde dag dat [verweerder] zich ziekmeldt van hem te verwachten dat hij op korte termijn in gesprek gaat met SBO. Dit geldt temeer nu SBO bekend is met de voorgeschiedenis van [verweerder] , waaronder dat hij kampt met ADHD en moeilijk met conflicten kan omgaan.
4.31.
De loonstop is vanaf 25 november 2025 mede gebaseerd op het niet machtigen van de bedrijfsarts om het dossier bij de vorige bedrijfsarts op te vragen, iets dat op 13 januari 2026 is geregeld na bemoeienis van de (huidige) gemachtigde van [verweerder] . Het feit dat [verweerder] in de tussentijd een zo simpel verzoek van SBO heeft genegeerd, interpreteert de kantonrechter als een uiting van de grote en heftige psychische druk die hij in die periode heeft ervaren. Hem kan daarom niet worden verweten dat hij de instructie van SBO niet eerder heeft nageleefd.
4.32.
Dit alles brengt met zich dat de loonvordering over de periode van de loonstop wordt toegewezen.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
4.33.
De over het loon over de periode van de loonstop verzochte wettelijke verhoging zal worden toegewezen. [19] In de gegeven omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 30%.
4.34.
Ook de wettelijke rente over dit loon is toewijsbaar. [20]
De nevenverzoeken
Opheffen schorsing en rehabilitatie
4.35.
Verder heeft [verweerder] de kantonrechter gevraagd om de schorsing op te heffen en hij wil rehabilitatie, beide op zeer korte termijn en op straffe van een dwangsom.
4.36.
De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. Het is niet onbegrijpelijk dat SBO vanwege het incident op 21 oktober 2025 met een beroep op de cao [verweerder] heeft geschorst en deze schorsing heeft gehandhaafd voor de duur van de ontbindingsprocedure. Nu in deze beschikking wordt geoordeeld dat het opzegverbod tijdens ziekte ontbinding van de arbeidsovereenkomst verhindert, zal [verweerder] verder moeten re-integreren bij SBO. Een schorsing staat daaraan in de weg en deze zal dan ook worden opgeheven zoals door [verweerder] is verzocht. De daarmee verbonden dwangsom wordt gematigd en gemaximeerd zoals hierna onder de beslissing te melden.
4.37.
Gelet op het oordeel over de schorsing hoeft SBO [verweerder] niet te rehabiliteren.
Tot slot
Proceskosten in het verzoek en in het tegenverzoek
4.38.
[verweerder] heeft verzocht om de reële (werkelijke) proceskosten toe te kennen, tot en met de mondelinge behandeling van 27 januari 2026 begroot op € 7.284,20. [21] Volgens [verweerder] heeft SBO misbruik gemaakt van procesrecht en/of onrechtmatig gehandeld doordat zij zich heeft bediend van onjuiste en/of onvolledige stellingen. Dit gaat volgens [verweerder] met name over de stelling van SBO dat haar verzoek geen verband houdt met een opzegverbod en doordat zij een beeld probeert te schetsen van een “moeilijke, onbereikbare en onhandelbare werknemer”. Hierdoor heeft SBO in de optiek van [verweerder] enkele evident kansloze verzoeken gedaan.
4.39.
De kantonrechter gaat daar niet in mee. Hiervoor is bij 4.7. al geoordeeld dat artikel 21 Rv Pro niet is geschonden. Daarbij komt dat weliswaar in deze situatie is geoordeeld dat het opzegverbod tijdens ziekte de ontbinding van de arbeidsovereenkomst verhindert, maar dat maakt niet dat sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. De lat daarvoor ligt hoog en daarmee dient terughoudend te worden omgegaan. De gegeven feiten en omstandigheden in deze zaak geven naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aanleiding om aan te kunnen nemen dat de hiervoor bedoelde lat is behaald. Daarom wordt op basis van de hoofdregel een forfaitair bedrag aan proceskosten toegekend.
4.40.
De proceskosten komen in het verzoek en het zelfstandig tegenverzoek voor rekening van SBO, omdat zij overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten van [verweerder] worden tot vandaag vastgesteld op totaal € 1.441,50. Dit bedrag bestaat uit 1,5 punt x € 865,00 aan salaris gemachtigde (conform 3.1 en 3.4 van de Aanbeveling schikking en proceskosten Wwz van de Rechtspraak) en € 144,00 aan nakosten (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing). De verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.41.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [22] Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De kantonrechter:
in het verzoek van SBO
5.1.
wijst het ontbindingsverzoek af,
in het tegenverzoek van [verweerder]
5.2.
veroordeelt SBO om aan [verweerder] over de periode van 29 oktober 2025 tot 1 januari 2026 zijn loon van € 5.788,80 bruto per maand met emolumenten te betalen, vermeerderd met 30% wettelijke verhoging daarover alsook vermeerderd met de wettelijke rente over de verschuldigde loonbedragen vanaf de respectieve data van opeisbaarheid daarvan,
5.3.
veroordeelt SBO om binnen twee dagen na betekening van deze beschikking de schorsing van [verweerder] op te heffen, op straffe van verbeurte van dwangsommen van € 100,- per dag tot een maximum van € 10.000,- indien SBO dit nalaat,
in beide verzoeken
5.4.
veroordeelt SBO in de kosten van de procedure, aan de kant van [verweerder] vastgesteld op € 1.441,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de 15e dag na aanschrijving tot de dag van voldoening en te vermeerderen met de eventuele explootkosten van de betekening van de beschikking,
5.5.
verklaart deze beschikking, voor zover het de hierin gegeven betalingsveroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.T.G. Roovers, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

Voetnoten

1.Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [verweerder] destijds deels is ingezet als coördinator binnen SBO of dat hij deze coördinerende taken slechts vervulde in het kader van een eerdere re-integratie (en er dus geen sprake was van een officiële functiewijziging).
2.Artikel 7:669 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). In deze situatie gaat het om een werkgeversverzoek. Zie in dat verband (ook) artikel 7:671b lid 1 onder a BW.
3.Artikel 7:669 lid 3 BW Pro.
4.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro.
5.Artikel 7:671b lid 2 BW
6.De kantonrechter heeft geconstateerd dat SBO in punt 36 en verder van het verzoekschrift er in de eerste plaats op wijst dat, hoewel zij niet heeft gekozen voor een ontslag op staande voet, SBO de daar omschreven dringende reden wel
7.Artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
8.Hoge Raad 24 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9536, rov. 3 en herhaald in Hoge Raad 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:276, rov. 3.3.1.
9.Artikel 7:671b lid 6 onder a BW.
10.Conclusie A-G De Bock 20 januari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:92, gevolgd door Hoge Raad 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:559. Zie ook: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 november 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:4021, rov. 3.4.3.
11.Artikel 7:671b lid 6 onder b BW.
13.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2021, rov. 3.9.4.
14.Parket bij de Hoge Raad, 20 januari 2023, 22/02862, ECLI:NL:PHR:2023:92 (conclusie A-G De Bock), onder 4.52.
15.Artikel 7:671b lid 5 aanhef en sub b BW.
16.Artikel 7:669 lid 3 onder Pro e BW.
17.in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub d BW Pro.
18.Artikel 7:629 lid 3 sub d BW Pro.
19.Artikel 7:625 BW Pro.
20.Artikel 6:119 BW Pro.
21.Een specificatie van de kosten is overgelegd als bijlage 6 bij het verweerschrift.
22.Artikel 288 Rv Pro.