Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
einduitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaken tussen
[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres
[naam]uit [vestigingsplaats] ([naam])
Inleiding
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
- Het college heeft beide verzoeken van eiseres om een natuurvergunning in te trekken op basis van artikel 5.4 van de Wnb terecht afgewezen. Op het tweede verzoek kan het college niet positief beslissen, omdat Saint Gobain geen natuurvergunning heeft. Op het eerste verzoek kan het college niet positief beslissen, omdat artikel 5.4 van de Wnb geen mogelijkheid biedt om een vergunning in te trekken die is verleend op grond van een andere wet dan de Wnb. De rechtbank is verder van oordeel dat beide verzoeken ook zijn gebaseerd op artikel 2.4 van de Wnb.
- Het college heeft in dit geval een aanschrijvingsbevoegdheid, omdat het treffen van passende maatregelen nodig is voor in ieder geval de Natura 2000-gebieden “Ulvenhoutse Bos” en “Brabantse Wal”.
- Het college heeft in de bestreden besluiten verzuimd om te onderzoeken hoe groot de noodzaak is om passende maatregelen te treffen voor de beide gebieden. Voor beide gebieden bestaat een hoge noodzaak om passende maatregelen te treffen binnen de termijn die nodig is om verdere verslechtering te voorkomen.
- Het college heeft in de bestreden besluiten verzuimd om per Natura 2000-gebied aan te geven met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn.
- Saint Gobain heeft geen natuurvergunning. Ten tijde van de bestreden besluiten vormden de milieutoestemmingen die golden op de referentiedatum de referentiesituatie. De referentiesituatie wordt na de bestreden besluiten bepaald door de revisievergunning van 25 april 2024 voor zover hierbij de emissieruimte van Saint Gobain uit eerdere vergunningen wordt beperkt. In de tussenuitspraak in de zaak SHE 24/2453 heeft de rechtbank vastgesteld dat in de revisievergunning de productiecapaciteit is beperkt en dat de capaciteit 10.000 ton glasvlies per jaar en 65.000 ton glaswol per jaar bedraagt. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat onduidelijk is of Saint Gobain een vaste verhouding tussen de bakelietbinder en de groene binder heeft aangevraagd. Ook dit is van belang voor de beantwoording van de vraag of (en zo ja, hoeveel) latente ruimte Saint Gobain heeft. De beperkingen in de productiecapaciteit en de emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden via de stenen schoorsteen, heeft gevolgen voor de beantwoording van de vraag of (en zo ja, hoeveel) latente ruimte er (nog) is.
- De omvang van de latente ruimte op basis van de omgevingsvergunningen die waren verleend vóór de revisievergunning van 25 april 2024 heeft de rechtbank in het midden gelaten.
- Het college heeft daarnaast aangegeven dat in december 2024 beleid zal worden vastgesteld over het intrekken van natuurvergunningen en (naar de rechtbank aanneemt) de toepassing van de aanschrijvingsbevoegdheid van artikel 2.4 van de Wnb. Voor lopende procedures is het oude recht van toepassing, gelet op artikel 2.9 van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet. Nieuwe aanschrijvingen vinden plaats door middel van artikel 4.5 van de Omgevingswet en artikel 11.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Als beleid wordt vastgesteld dan kan het college dit bij het herstel betrekken.
- De revisievergunning van 25 april 2024, de tussenuitspraak in de zaak SHE 24/2453 en, als het college gebruik maakt van de geboden gelegenheid om de gebreken te herstellen, de herstelpoging van het college en de eventuele hieruit voortvloeiende wijzigingen van de revisievergunning van 25 april 2024, kunnen ook worden betrokken bij het herstel van de gebreken in deze zaken. Dit is de reden waarom de rechtbank in deze uitspraak een langere hersteltermijn biedt dan in de tussenuitspraak van heden in de zaak SHE 24/2453, zodat het college de eventuele herstelpoging en de reacties hierop in de zaak SHE 24/2453 kan betrekken in het herstel van het gebrek in deze zaken.
Aan de hand van die informatie zullen wij op een later moment op het overige deel van het verzoek van de Coöperatie Mobilisation for the Environment UA beslissen. De verwachting is dat daarbij het intrekkingsbeleid van de provincie Noord-Brabant kan worden betrokken. Dit besluit heeft dus niet tot gevolg dat er geen volgend intrekkingsbesluit kan volgen. Dit zal afhankelijk zijn van de invloed die het intrekkingenbeleid van de provincie Noord-Brabant hierop heeft.’
In beide verzoeken heeft eiseres in algemene zin verwezen naar artikel 2.4 van de Wnb. In het eerste verzoek heeft eiseres daarnaast uitdrukkelijk verzocht om toepassing van artikel 2.4 van de Wnb. Het college is niet buiten de grondslag van het eerste verzoek getreden door hier inhoudelijk op in te gaan. Gelet op de algemene formulering is het college ook niet buiten de grondslag van het tweede verzoek getreden.” In hetgeen Saint Gobain aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om terug te komen op de tussenuitspraak. In het herstelbesluit wordt het tweede verzoek op basis van artikel 5.4 van de Wnb geweigerd en wordt het eerste verzoek op basis van artikel 2.4 van de Wnb gedeeltelijk gehonoreerd. Saint Gobain kan worden toegegeven dat eiseres in haar inleidend verzoek niet expliciet heeft verzocht om de verplichting op te leggen om informatie te verstrekken. Daarentegen heeft eiseres wel in algemene zin verwezen naar artikel 2.4 van de Wnb. Hierin ligt volgens de rechtbank besloten dat eiseres het college verzoekt om alle vier de verplichtingen in artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb op te leggen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het college ook hiermee niet buiten de omvang van het verzoek dan wel buiten de omvang van het geding is getreden. Ten tijde van het herstelbesluit van 5 februari 2025 in de andere procedure was de onderliggende omgevingsvergunning uit 2017 nog niet vervallen omdat dat besluit op dat moment niet onherroepelijk was. De rechtbank heeft de expliciete aanwijzing gegeven het herstelbesluit in de andere procedure ook te betrekken bij het herstelbesluit in deze procedure dus dat staat het college ook vrij om te doen.
- De maatregelen om de resultaatsverplichtingen op basis van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (hierna: Wsn) te behalen
- Het programma Stikstofreductie en Natuurverbetering
- De aanpak landelijk gebied
- Maatregelen in het kader van het programma Natuur
- Maatregelen in het kader van de Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof 2.0
- Beheermaatregelen in de betrokken Natura 2000-gebieden
- De Maatregel gerichte aankoop en beëindiging veehouderijen
- Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties en aanvullende regelingen.
vanwege het verzoek van ‘Van Uffelen Advies’ aan Isover BV ex artikel 2.4, eerste lid, onder a, van de Wet natuurbescherming de verplichting op te leggen om binnen drie maanden na inwerkingtreding van dit besluit, inzichtelijk te maken wat de resterende emissievracht voor haar activiteiten aan de [adres], [postcode] te [vestigingsplaats], in de gemeente Etten-Leur bedraagt. Hiervoor moet in ieder geval per vergunde installatie inzichtelijk worden gemaakt of deze daadwerkelijk aanwezig is, wat de vergunde emissie is en wat de feitelijke emissie de afgelopen vijf jaar was. Indien de verwachting is dat een deel van de latente ruimte binnen afzienbare tijd alsnog zal worden benut, bijvoorbeeld vanwege een verwachte toename van productie, dient dit met concrete stukken onderbouwd te worden. Tenslotte moet ook inzichtelijk gemaakt worden of en zo ja welke concrete plannen er zijn voor nieuwe ontwikkelingen met daarbij een toelichting hoeveel latente ruimte mogelijk nodig zou kunnen zijn om dit te verwezenlijken.” Het college vindt deze verplichting duidelijk genoeg. Het is geen permanente informatieverplichting en de informatie die wordt verstrekt is ook niet aan goedkeuring onderworpen. Het betreft een opdracht tot het leveren van informatie, analoog aan artikel 2.2.5, tweede lid, van de (na het herstelbesluit vastgestelde) Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant (Beleidsregel).
installatie”: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de in bijlage I, in bijlage I bis of in deel 1 van bijlage VII vermelde activiteiten en processen alsmede andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de in die bijlagen vermelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging”. Dit acht de rechtbank voldoende duidelijk en ook praktisch toepasbaar in dit geval.
“latente ruimte: dat deel van de toegestane N-emissie in de onherroepelijke natuurtoestemming dat, blijkens de meest recente opgave in het elektronisch milieujaarverslag, de afgelopen vijf jaar niet benut is of is geweest, met uitzondering van de toegestane N-emissie die benodigd is om te voldoen aan wettelijke afname- en leveringsverplichtingen”.De rechtbank is van oordeel dat het herstelbesluit (zeker gelet op de definitie in de Beleidsregel) ook op dit onderdeel voldoende duidelijk is.
€ 500,00 per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
Conclusie en gevolgen
Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan het college is toe te rekenen, moet het college ook de proceskosten vergoeden voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Bij de berekening van de kosten zal wat betreft de zwaarte van de zaak de wegingsfactor licht (0,5) worden gehanteerd, omdat het hier alleen gaat om beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden.
Toegekend wordt in totaal € 5.137,-.
Beslissing
- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen tegen het herstelbesluit gegrond;
- vernietigt het herstelbesluit voor zover hierin de verzoeken van eiseres om verdergaande passende maatregelen op basis van artikel 2.4 van de Wnb zijn afgewezen en laat het herstelbesluit voor het overige in stand;
- draagt het college op binnen zes maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het hiervoor genoemde onderdeel van de verzoeken van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt het college op de betaalde griffierechten van in totaal € 730,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van een schadevergoeding van € 2.500,00 aan eiseres;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 5.137,-.
Informatie over hoger beroep
Bijlage
1. Gedeputeerde staten leggen, indien dat nodig is voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, aan degene die in hun provincie een handeling verricht of het voornemen daartoe heeft, een verplichting op om:
a. informatie over de handeling te verstrekken;