Uitspraak
201004275/1/T1/R4, heeft de Afdeling de raad opgedragen binnen 24 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 15 februari 2010 te herstellen. De tussenuitspraak is aangehecht.
200203751/1, dat hoewel de Wet geluidhinder daartoe niet verplicht, ook in het geval een 30 km-zone is ingesteld, moet worden nagegaan of de geluidbelasting in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Daargelaten of voor de Van Poelgeestlaan en Vronkenlaan reeds een verkeersbesluit is genomen om de wegen als 30 km-zone in te richten, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich, gelet op de uitkomsten van het akoestisch onderzoek, niet zonder meer op het standpunt heeft kunnen stellen dat de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer op voornoemde wegen bij een rijsnelheid van 30 km/uur tot een zodanige afname van de geluidbelasting zal leiden op de nieuwbouw van de BSW dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet zal worden overschreden, dan wel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening kan worden geacht. Dat de geluidbelasting blijft onder de maximale ontheffingswaarde op grond van de Wet geluidhinder, zoals de raad heeft betoogd, doet hier niet aan af.
200510017/1, is met de vaststelling van het bestemmingsplan tevens een beslissing genomen omtrent de burgerlijke rechten en verplichtingen van appellanten. Hiervan uitgaande begint de in artikel 6 van Pro het EVRM bedoelde termijn in een bestemmingsplanzaak die is voorbereid krachtens de Wro te lopen bij het instellen van beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan door betrokkenen. Anders dan de OVC en anderen hebben gesteld blijft derhalve de tijdsduur die is gemoeid met de voorbereiding en vaststelling van een bestemmingsplan, voor het bepalen van de ingangsdatum van de in artikel 6 van Pro het EVRM bedoelde termijn buiten beschouwing.
200904891/1/H2, dat een totale lengte van de procedure van ten hoogste twee jaar redelijk is in zaken waarin het geschil aanvangt met het instellen van beroep tegen een besluit in de zin van de Awb.
200608140/1, volgt uit de jurisprudentie van het Hof, onder meer de uitspraak van 29 maart 2006, Pizzati tegen Italië, (nr. 62361/00, JB 2006, 134), dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat, voor zover hier van belang, [appellant sub 1] en anderen en de OVC en anderen geen spanning en frustratie hebben ondervonden die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt.