ECLI:NL:RBOBR:2026:1712

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/01/394865 / HA ZA 23-444
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:94 BWArt. 4:97 BWArt. 4:107 BWArt. 4:109 BWArt. 4:173 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijsopdracht samenwoning voor verkrijging testamentaire rechten na overlijden

De zaak betreft een geschil over de rechtsgeldigheid van testamentaire bepalingen uit 2010, waarin [A] als partner, executeur en afwikkelingsbewindvoerder is benoemd, onder de voorwaarde dat de samenwoning met erflater op het moment van overlijden voortduurde.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2], erfgenamen uit een eerder huwelijk van erflater, betwisten dat de samenwoning nog bestond en stellen dat het samenlevingscontract al eerder was geëindigd. Zij baseren dit op verklaringen van derden en omstandigheden zoals het verblijf van erflater op een camping en een nieuwe relatie.

[A] betwist deze stellingen en voert aan dat erflater en zij samenwoonden op het adres aan de [adres 2], met gezamenlijke huishouding en wederzijdse verzorging. De rechtbank oordeelt dat de bewijslast bij [A] ligt om aan te tonen dat de samenwoning op het moment van overlijden voortduurde.

De rechtbank wijst een bewijsopdracht toe aan [A] om dit te bewijzen door middel van bewijsstukken, getuigen of andere middelen. De zaak wordt aangehouden tot 15 april 2026, waarna de procedure wordt voortgezet met een getuigenverhoor gepland in de periode april-juni 2026.

De rechtbank verwerpt formele bezwaren van [A] tegen de eis in reconventie en oordeelt dat de nalatenschap niet kan worden afgewikkeld conform het concept-testament dat niet aan de wettelijke vormvereisten voldoet.

Uitkomst: Bewijsopdracht aan [A] opgelegd om samenwoning op overlijdensdatum aan te tonen; verdere beslissing aangehouden tot bewijs is geleverd.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/394865 / HA ZA 23-444
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[A],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [A] ,
advocaat: mr. E.E. Frenken,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. M.M.G. Senssen-Franssen,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats] ( [land] ),
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. M.M.G. Senssen-Franssen,
3.
[A], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de (op moment van dagvaarding) minderjarige
[B] ,hierna te noemen [B] ,
niet verschenen,
4.
[A]in hoedanigheid van erfgenaam van de heer
[erflater]
te [plaats] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 26 juni 2024
- de brief van de rechtbank van 6 februari 2025 waarin wordt vermeld dat de procedure op grond van artikel 226 Rv Pro is geschorst en wordt verwezen naar de parkeerrol van 1 oktober 2025, vanwege het feit dat de (toenmalige) advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is geschrapt
- de oproepingsexploten van [A]
- de e-mail van de griffier waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte houdende producties van [A] met producties 15 tot en met 17
- de akte wijziging/vermeerdering van eis in reconventie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
- de akte houdende bezwaar tegen wijziging/vermeerdering van eis in reconventie van [A]
- de e-mail van de griffier waarin het bezwaar tegen de eiswijziging is verworpen en waarin [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn opgedragen de gewijzigde eis te doen betekenen aan de inmiddels meerderjarig geworden [B]
- het exploot waarmee de eiswijziging is betekend aan [B]
- de mondelinge behandeling van 21 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[A] heeft een relatie gehad met de heer [erflater] (hierna: erflater) en heeft met hem samengewoond.
2.2.
Voorafgaand aan de relatie met [A] is erflater gehuwd geweest met [C] (hierna: [C] ). Tijdens dit huwelijk hebben erflater en [C] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geadopteerd.
2.3.
[gedaagde 2] is op [geboortedatum 1] 2006 bevallen van dochter [B] . [gedaagde 2] was op dat moment 16 jaar oud. [C] en erflater zijn daarna belast met de gezamenlijke voogdij over [B] .
2.4.
[C] is op [overlijdensdatum 1] 2007 overleden.
2.5.
Op 28 april 2008 is erflater gaan samenwonen met [A] .
2.6.
[A] en erflater hebben op 12 november 2010 ten overstaan van mr. [notaris] , notaris te Mill en Sint Hubert een samenlevingscontract gesloten. Daarin is, onder meer en voor zover van belang, het volgende opgenomen:
10. Einde overeenkomst
Deze overeenkomst is ontbonden:
(…)
d. als uit feitelijke omstandigheden blijkt dat de samenwoning is geëindigd;
(…)
f. wanneer een van de partners overlijdt.
2.7.
Eveneens op 12 november 2010 heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt. In het testament is, onder meer en voor zover van belang, het volgende opgenomen:
(…)
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
1. Begripsbepalingen
In dit testament wordt verstaan onder:
a. mijn 'partner': mevrouw [A] , geboren te Boxmeer op [geboortedatum 2] negentienhonderd zestig, met wie ik sinds achtentwintig april tweeduizend acht samenwoon en een gemeenschappelijke huishouding voer;
(…)
HOOFDSTUK 2. ERFSTELLING
1. Erfstelling
Ik benoem tot mijn enige erfgenamen, samen en voor gelijke delen: mijn partner en mijn beide kinderen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , alsmede mijn kleindochter [B] .
HOOFDSTUK 3. AFWIKKELINGSBEWIND EN BEVOEGDHEID TOT VERDELING BIJ SAMENWONEN
1. Afwikkelingsbewind en last
Voor het geval mijn partner en ik ten tijde van mijn overlijden niet gehuwd zijn en/of geen geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, benoem ik mijn partner tot afwikkelingsbewindvoerder.
(…)
8. Einde afwikkelingsbewind
Het afwikkelingsbewind van mijn partner eindigt:
- na voltooiing van de verdeling, maar uiterlijk drie jaar na mijn overlijden;
(…)
- als mijn nalatenschap moet worden vereffend In de zin van afdeling 3 titel 6 Boek 4 Burgerlijk Wetboek;
HOOFDSTUK 5. EXECUTELE
1. Benoeming executeur
Ik benoem mijn partner tot executeur. Als zij haar benoéming niet aanvaardt of haar hoedanigheid van executeur eindigt, benoem ik tot (opvolgend) executeur één van mijn broers, met dien verstande dat zij zelf in onderling overleg dienen te bepalen wie van hen deze benoeming onder de in deze uiterste wil, gemelde voorwaarden wenst te aanvaarden.
(…)
3. Boedelbeschrijving
De executeur is verplicht met bekwame spoed, zo mogelijk binnen zes (6) maanden, na mijn overlijden ten behoeve van mijn erfgenamen een boedelbeschrijving met inbegrip van een voorlopige staat van schulden van de nalatenschap op te maken.
(…)
10. Rekening en verantwoording
De executeur moet jaarlijks en bij het einde van zijn werkzaamheden aan de erfgenamen of zijn opvolger rekening en verantwoording afleggen van het beheer van de nalatenschap.
11. Einde taak executeur
De taak van de executeur eindigt.
(…)
g. als de nalatenschap overeenkomstig de wet moet worden vereffend
(…)
HOOFDSTUK 6. OVERIGE BESCHIKKINGEN
1. Voorwaarde voor verkrijging door (familie)
De in deze uiterste wil ten behoeve van mijn partner (…) gemaakte beschikkingen zijn gemaakt onder de voorwaarde dat:
- het samenlevingscontract door mijn of haar overlijden is ontbonden; of bij het ontbreken van een samenlevingscontract onze samenwoning door mijn of haar overlijden is geëindigd; (…)
Als aan geen van de voorwaarden wordt voldaan, sluit ik mijn partner en haar bloedverwanten, die niet ook mijn bloedverwanten zijn, uit als verkrijgers in mijn nalatenschap. Mijn partner en haar bloedverwanten, die niet ook mijn bloedverwanten zijn, kunnen in dit geval ook verder aan dit testament geen enkel recht of geen enkele bevoegdheid ontlenen.
(…)
6. Bewind
1. Instelling, duur en strekking bewind
Ik stel een bewind in over alle door mij aan ieder van mijn erfgenamen (hierna te noemen: 'de rechthebbende') nagelaten of vermaakte goederen. Het bewind is ingesteld in het belang van de rechthebbende.
Het bewind heeft de strekking de rechthebbende te begeleiden bij het op verantwoorde wijze omgaan met het onder bewind gestelde vermogen en de inkomsten daaruit
Alle bepalingen gelden voor al mijn afstammelingen zolang mijn kleindochter [B] jonger is dan vijfentwintig (25) jaar. Het bewind treedt in werking op het tijdstip van mijn overlijden.
2. Benoeming bewindvoerder
Ik benoem mijn partner tot bewindvoerder. Als zij haar benoeming niet aanvaardt of haar hoedanigheid van bewindvoerder eindigt, benoem ik [bewindvoerderskantoor] B.V., kantoorhoudende te [adres kantoor] , tot bewindvoerder. (…)
2.8.
[B] is bij erflater en [A] blijven wonen. [A] is op 18 mei 2015 naast erflater benoemd tot voogd over [B] .
2.9.
Erflater heeft bij leven de stichting [D] opgericht. [D] houdt en administreert de aandelen in [E] BV. In deze vennootschap zit het grootste deel van het vermogen van erflater.
2.10.
Notaris [notaris] heeft op 8 juli 2021 een concept testament opgesteld voor erflater. In dat concept worden alle eerdere uiterste wilsbeschikkingen herroepen en worden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] samen met [B] , samen en voor gelijke delen, tot enige erfgenamen benoemd. In dat concept wordt aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder de helft van de (certificaten van) de aandelen in het kapitaal van [E] gelegateerd. [A] komt in dat concept niet voor. Dit concept heeft niet geleid tot de ondertekening van een overeenkomstig testament bij de notaris.
2.11.
[A] is op 25 juni 2021 ontslagen als bestuurder van [D] .
2.12.
Op [overlijdensdatum 2] 2021 is erflater overleden.
2.13.
Op 29 september 2021 heeft notaris [notaris] op verzoek van [A] een verklaring van executele met afwikkelingsbewind opgesteld.
2.14.
[A] heeft haar taak als bewindvoerder niet aanvaard. Zij is wel afwikkelingsbewindvoerder.
2.15.
Eveneens op 29 september 2021 is [F] (hierna: [F] ) in functie getreden als bestuurder van [D] .
2.16.
Op 30 december 2021 heeft [A] het eigendomsrecht met betrekking tot de agrarische opslagloodsen met ondergrond, erf en verdere aanhorigheden, staande en gelegen te [postcode] [plaats] , [adres 1] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , [kadastrale aanduiding] , ter grootte van negentig are en zeventig centiare geleverd aan [F] .
2.17.
Bij op 7 september 2023 ontvangen verzoekschrift (geadministreerd onder zaaknummer 10696738 EJ VERZ 23-433) heeft [A] zich tot de kantonrechter gewend met het verzoek [gedaagde 2] en [gedaagde 1] een termijn te verlenen, om alsnog een keuze te maken over het [beneficiair] aanvaarden of verwerpen van de nalatenschap. De kantonrechter heeft aanleiding gezien om de behandeling van dat verzoek aan te houden totdat er een beslissing is genomen in de onderhavige dagvaardingsprocedure.
2.18.
Bij schriftelijke verklaring van 26 januari 2024 heeft [J] , handelend in haar hoedanigheid van schriftelijk gevolmachtigde van [bewindvoerderskantoor] B.V de benoeming als testamentair bewindvoerder aanvaard.
2.19.
Op [geboortedatum 1] 2024 is [B] meerderjarig geworden. Zij is ook daarna, na daartoe te zijn opgeroepen, niet in de procedure verschenen.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[A] vordert na vermeerdering van eis om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zakelijk weergegeven, de volgende verklaringen voor recht:
dat de samenlevingsovereenkomst tussen haar en erflater is beëindigd op grond van artikel 10 sub f en Pro dus op [overlijdensdatum 2] 2021
dat zij op grond van het testament d.d. 12 november 2010 erfgenaam is van erflater, samen met [B] , [gedaagde 2] en [gedaagde 1]
dat zij op grond van het testament d.d. 12 november 2010 executeur en afwikkelingsbewindvoerder is
dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de nalatenschap van erflater zuiver hebben aanvaard.
3.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verweer gevoerd.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen na wijziging en vermeerdering van eis om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
A. te verklaren voor recht dat de afwikkeling van de nalatenschap van erflater plaatsvindt conform de conceptversie van het testament en daarbij vast te stellen dat de benoeming van [A] tot erfgenaam, executeur en afwikkelingsbewindvoerder is komen te vervallen vanaf de datum van overlijden althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
subsidiair, voor het geval de rechtbank uitgaat van de rechtsgeldigheid van het testament van 12 november 2010
B. vast te stellen dat de taak van [A] als afwikkelingsbewindvoerder is geëindigd op [overlijdensdatum 2] 2024;
C. [A] in haar hoedanigheid van executeur en (voormalig) afwikkelings-bewindvoerder te verplichten rekening en verantwoording af te leggen van het beheer van de nalatenschap vanaf datum overlijden tot heden door overlegging van onder andere:
- een boedelbeschrijving bestaande uit alle activa en passiva behorende tot de nalatenschap;
- saldoverloop van de tot de nalatenschap behorende bankrekeningen over de jaren 2020 t/m heden;
- aangifte successierechten voor zover reeds gedaan;
- taxatierapport en verkoopovereenkomst van het bedrijfspand gelegen aan de [adres 1] te [plaats] ;
- alsmede overige stukken die van belang zijn ter controle van de rekening en verantwoording;
D. [A] te veroordelen tot uitkering aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van (een voorschot op) hun vordering op de nalatenschap van erflater bestaande uit het aandeel van hen in de
nalatenschap van [C] ten bedrage van € 93.874,-- per persoon, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 december 2021 althans de datum van het in deze te wijzen vonnis
zowel primair als subsidiair;
E. met veroordeling van [A] in de proceskosten van de eis in reconventie.
3.5.
[A] voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld. Voordat de rechtbank in dat verband iets kan zeggen over de vorderingen in reconventie, moet zij ingaan op de formele bezwaren die [A] daartegen heeft aangevoerd en op een aantal andere kwesties.
De rechtbank neemt ondanks de bezwaren van [A] wel kennis van de conclusie van antwoord en (gewijzigde) eis in reconventie.
4.2.
Volgens [A] is de conclusie van antwoord en eis in reconventie niet door de toenmalige advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (mr. Driessen) geschreven. Verder voert zij aan dat mr. Driessen de rechtbank op het verkeerde been heeft gezet door voor te doen dat er overeenstemming bestond over een uitstel voor het indienen van een conclusie van antwoord. Die overeenstemming bestond namelijk helemaal niet. De consequentie van dit alles zou moeten zijn dat de rechtbank om die redenen geen kennis zou moeten nemen van de conclusie van antwoord en de daarin opgenomen eis in reconventie.
4.3.
De rechtbank verwerpt beide bezwaren. Vanzelfsprekend is het afkeurenswaardig te suggereren dat er overeenstemming tussen advocaten bestaat over een uitstel om een conclusie in te dienen. Om daar de consequentie aan te verbinden dat de vervolgens genomen conclusie dan helemaal buiten beschouwing moet worden gelaten, is voor de rechtbank echter een brug te ver. Nergens is immers uit gebleken dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zelf op dit punt iets valt te verwijten. Het jokken op dit punt dient voor rekening te komen van mr. Driessen, die daarvoor ook tuchtrechtelijk is bestraft, zo blijkt uit de door [A] overgelegde uitspraak van de Raad van Discipline van 7 april 2025.
4.4.
Uit die uitspraak wordt ook duidelijk dat de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie niet door mr. Driessen is geschreven. Maar ook daaraan verbindt de rechtbank niet het gevolg dat die conclusie van eis en eis in reconventie dan helemaal buiten beschouwing moet worden gelaten. In de zaken waarnaar [A] in dit verband verwezen heeft, gebeurt dat ook niet. Rechtbank Rotterdam 20 mei 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:4678 laat meerdere pagina’s buiten beschouwing, maar niet de hele conclusie. In hoger beroep (Gerechtshof Den Haag 7 december 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2879) blijft dat in stand. In andere zaken waarnaar verwezen wordt (Rechtbank Rotterdam 28 februari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:10857, Gerechtshof 's-Hertogenbosch 7 juni 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:2297 en Gerechtshof Den Haag 15 april 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1339 worden ook slechts delen buiten beschouwing gelaten, of wordt een vordering niet toegewezen omdat die niet voldoende is onderbouwd. Nergens leest de rechtbank in die zaken dat de betreffende gerechten “voor straf” geen kennis nemen van de gehele inhoud van het betreffende processtuk.
4.5.
Vastgesteld moet worden dat de conclusie van antwoord in ieder geval door een advocaat is ingediend. Waar het vervolgens om gaat, is of de conclusie van antwoord de gronden voor de eis in reconventie vermeldt (zie de artikelen 137 jo. 111 lid 3 Rv). Op zichzelf moet iedere conclusie – door de rechtbank, maar ook door de wederpartij –met een zekere welwillendheid worden gelezen. Bij een welwillende lezing van de conclusie van antwoord had het ook voor [A] duidelijk moeten zijn dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vinden dat:
  • [A] geen rechten kon ontlenen aan het testament van 12 november 2021 omdat er sprake was van gewijzigde omstandigheden (omdat zij vonden dat de relatie tussen [A] en erflater was verbroken, zij erop wezen dat [A] was ontslagen als bestuurder, dat erflater een nieuw testament had laten maken, hij volgens hen een nieuwe vriendin had, en hij niet meer samen met [A] samenwoonde)
  • [A] niet communiceerde over haar taken als executeur
  • [A] nooit rekening en verantwoording heeft afgelegd
  • [A] het bedrijfspand niet had mogen verkopen of te goedkoop had verkocht.
De rechtbank stelt vast dat dit [A] ook allemaal duidelijk was, want op al die punten heeft ze verweer gevoerd. [A] is naar het oordeel van de rechtbank door deze manier van procederen dan ook niet in haar belangen geschaad. Daar komt bij dat de opvolgend advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij haar akte structuur heeft aangebracht in de vorderingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [A] ook daarop heeft kunnen reageren.
Beneficiaire aanvaarding door [B] , maar geen vereffening
4.6.
[B] was minderjarig ten tijde van het overlijden van erflater en heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. In beginsel moet de nalatenschap dan worden vereffend. Vereffening kan echter achterwege blijven, omdat [A] onweersproken heeft gesteld dat er een ruimschoots toereikend verklaring is (4:202 lid 1 onder a BW).
Bewindvoering
4.7.
Volgens [A] kunnen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet worden ontvangen in hun vorderingen omdat er sprake is van een testamentair bewind. Op grond van artikel 4:173 BW Pro kan alleen de bewindvoerder in rechte optreden.
4.8.
[A] miskent echter dat op het moment dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] antwoordden op de door haar ingestelde eis, er geen bewindvoerder in functie was: namens [bewindvoerderskantoor] is de benoeming tot bewindvoerder pas eind januari 2024 aanvaard. Een bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbenden bovendien in gedingen ter zake van onder het bewind staande goederen. Die situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank met de hier voorliggende vorderingen niet voor. Als daar al anders over gedacht zou moeten worden, heeft dat bovendien evenzeer te gelden voor de vorderingen van [A] zelf: dan zou [A] die ook hebben moeten instellen tegen de bewindvoerder.
Hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zuiver aanvaard?
4.9.
[A] vindt van wel en baseert haar stelling dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zuiver hebben aanvaard op enkele uitlatingen in de conclusie van antwoord. Het gaat dan om de passages dat “ [gedaagde 1] een onbetwiste erfgenaam is” en bevoegd was “de persoonlijke bezittingen onder zich te nemen”. Verder volgt volgens haar uit het feit dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een eis in reconventie hebben ingesteld dat zij de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. Ten aanzien van [gedaagde 1] stelt zij dat hij zich als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam heeft gedragen doordat hij het gereedschap (onder meer een compressor, een grote trap en een gereedschapskar) van erflater heeft meegenomen. Ten aanzien van [gedaagde 2] stelt zij dat zij om voorschotbetalingen heeft gevraagd.
4.10.
De rechtbank verwerpt ook deze stelling van [A] . Slechts die gedragingen die leiden tot benadeling van schuldeisers, hebben een zuivere aanvaarding tot gevolg. Daarvan is alleen sprake als een erfgenaam beschikkingshandelingen verricht door goederen van de nalatenschap te verkopen, bezwaren of op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers te onttrekken. Uit niets is gebleken dat de door [A] genoemde omstandigheden tot een verkorting van de positie van mogelijke schuldeisers hebben geleid. Van zuivere aanvaarding door [gedaagde 1] is dan ook geen sprake. Van zuivere aanvaarding door [gedaagde 2] al evenmin. [A] verwijst naar voorschotbedragen op de erfenis van erflater die zij zou hebben gevraagd en ontvangen. Uit de overlegde stukken blijkt echter dat [gedaagde 2] een kredietovereenkomst met [E] BV is aangegaan waarbij het de bedoeling is dat zij het krediet aflost met haar erfdeel uit de nalatenschap van erflater. Een zuivere aanvaarding volgt daaruit op zichzelf echter nog niet.
Moet de nalatenschap worden afgewikkeld conform het concepttestament?
4.11.
Op grond van artikel 4:94 BW Pro kan een uiterste wil, behoudens de in de wet aangegeven noodgevallen (zie de artikelen 4:97 tot en met 107 BW), alleen worden gemaakt bij een notariële akte of bij een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte. Een uiterste wil is nietig, indien aan de akte van uiterste wil of aan de akte van bewaargeving, zo deze voorgeschreven is, de vereiste ondertekening door de erflater ontbreekt (artikel 4:109 lid 1 BW Pro). Voorts bepaalt het tweede lid van artikel 4:109 BW Pro dat een uiterste wil die ten overstaan van een notaris moet worden gemaakt, nietig is, indien de akte van uiterste wil niet door de notaris is ondertekend.
De tussenkomst van een notaris waarborgt dat deze op het moment van het passeren van de akte kan nagaan of wat er in de akte is opgenomen op dat moment ook daadwerkelijk de uiterste wil van erflater is. Dit is ook de reden waarom een notaris vóór het passeren van de akte aan de erflater de zakelijke inhoud van die akte meedeelt en daarop een toelichting geeft.
4.12.
In dit geval is er geen uiterste wilsbeschikking van erflater die aan alle wettelijke vereisten voldoet. Er is alleen een concept testament. Op grond van de redelijkheid en billijkheid is het in dat geval in beginsel mogelijk om af te wijken van de wettelijke regels. De rechter moet daarbij een grote mate van terughoudendheid betrachten. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. In ieder geval is vereist dat er ‘volstrekte zekerheid’ is dat wat er is vastgelegd in het concept testament, overeenstemt met de uiterste wil van de overledene op het moment van overlijden (vgl. hof Den Haag 6 augustus 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2800). Die zeer hoge mate van zekerheid is nodig, omdat voorbij wordt gegaan aan de wettelijke vormvereisten die gelden voor een rechtsgeldig testament. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op dit punt onvoldoende hebben aangevoerd. In feite leggen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan dit onderdeel van hun vordering hetzelfde ten grondslag als aan hun verweer dat [A] op grond van het testament van 12 november 2010 geen erfgenaam is. Daarbij verwijzen zij ook naar de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 mei 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:1396). Die zaak ging echter over de uitleg van een testament. Uitleg van een bestaand testament kan echter niet leiden tot de toepasselijkheid van een ander, concept-testament.
Dat betekent dat de vordering van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in reconventie onder A. zal worden afgewezen.
Is [A] erfgenaam volgens het 12 november 2010?
4.13.
Na het voorgaande komt de rechtbank aan de belangrijkste vraag die in deze zaak moet worden beantwoord, namelijk of [A] erfgenaam is op grond van het testament van 12 november 2010. Alle beschikkingen ten behoeve van [A] zijn gemaakt onder de voorwaarde dat het (overigens gelijktijdig verleden) samenlevingscontract is ontbonden door de dood. En, zo overweegt de rechtbank, dus niet door een van de andere omstandigheden op grond waarvan het samenlevingscontract als ontbonden wordt beschouwd. [A] stelt dat aan de voorwaarde uit het testament is voldaan. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dit. Volgens hen was het samenlevingscontract al eerder, op een andere grond geëindigd: [A] en erflater hadden namelijk geen relatie meer. Of, in de woorden van het samenlevingscontract: uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat de samenwoning tussen [A] en erflater al was geëindigd. Zij kan doordoor - zo begrijpt de rechtbank - volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen rechten aan het testament van 12 november 2010 ontlenen.
4.14.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren in dit verband aan dat:
  • erflater niet meer in de (zijn) woning aan de [adres 2] te [plaats] woonde: hij verbleef op een camping in een chalet en regelmatig ook bij [gedaagde 2] in [land]
  • erflater hen en anderen had verteld dat zijn relatie met [A] was geëindigd en dat aan hen bracht als “goed nieuws”
  • erflater begin 2021 een nieuwe relatie kreeg met mevrouw [G]
  • [A] kwam ook niet meer mee naar familiebijeenkomsten zoals verjaardagen
  • [A] door erflater was ontslagen als bestuurder van [D]
  • de notaris inmiddels een nieuw testament had opgesteld
  • erflater alleen nog 50% betaalde voor de kosten van [B] .
4.15.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben hun stellingen onderbouwd met hun producties 9 en 10. Productie 9 is een verklaring van de buurvrouwen [H] en [I] . Zij verklaren dat erflater vanaf begin 2021 niet meer aan de [adres 2] woonde, maar op camping [naam camping] in [plaats] en dat hij wekelijks op bezoek kwam voor zijn kleindochter en voor de werkzaamheden aan de tuin, weilanden en voor de verzorging van herten.
Als productie 10 is een verklaring van mevrouw [G] overgelegd. Zij verklaart dat:
  • zij en erflater een eerste afspraak hadden op 14 maart 2021 en ze er daarna iedere zondag samen op uittrokken in Nederland, België en Duitsland,
  • erflater haar vertelde dat hij sinds maart 2021 alleen woonde in een caravan op [naam camping]
  • erflater haar vertelde dat hij een samenlevingscontract had met [A] , maar dat dat was ontbonden
  • erflater haar vertelde dat hij bezig was met een nieuw testament waarin stond dat hij geen partner meer had
  • ze samen met erflater enkele keren naar een appartement in Boxmeer en Cuijk zijn gaan kijken, omdat hij voor de winter in een echt huis wilde wonen
  • ze samen met erflater nog een weekend weg zou gaan op 19 en 20 september 2021.
4.16.
[A] betwist dit allemaal. Volgens haar blijkt uit de feitelijke omstandigheden helemaal niet dat de samenwoning met erflater was geëindigd omdat:
a. zij en erflater samenwoonden.
b. erflater voor het overgrote deel verbleef aan de [adres 2] . Zij woonde daar ook en woont daar nu nog steeds
c. erflater ook in de BRP stond inschreven aan het adres [adres 2] en in de verklaring van executele met afwikkelingsbewind als laatste woonadres van erflater ook dat adres staat beschreven
d. erflater ook zijn post ontving op dat adres [adres 2]
e. zij en erflater nog veelvuldig samen aten. Als erflater op de camping was, dan werd door [A] eten gebracht, en werd vervolgens ook samen gegeten
f. zij en erflater een affectieve relatie met elkaar hadden
g. zij en erflater op de dag van overlijden samen in de tuin aan het werk waren en erflater is overleden toen [A] binnen [ [adres 2] ] de gezamenlijke lunch aan het voorbereiden was
h. erflater als gevolg van het moeite hebben met de corona maatregelen geregeld in het chalet op de camping verbleef. Erflater had graag mensen/ zijn familie om zich heen, en kon gelet op de coronamaatregelen aan de [adres 2] niet veel bezoek ontvangen, ook al gelet op de broze gezondheid van haar moeder, die ook op de [adres 2] woonde.
i. het overgrote deel van de spullen van erflater aanwezig was op de [adres 2]
j. zij en erflater ook een gezamenlijke huishouding voerden te [adres 2] en elkaar wederzijds verzorgden
k. zij ook de beschikking had over de bankpas van erflater waarmee ze de boodschappen betaalde.
4.17.
[A] stelt verder dat:
  • zij foto’s heeft waaruit volgt dat erflater in één week drie keer op de [adres 2] was
  • erflater een zorgovereenkomst voor haar moeder heeft ingevuld, waarop hij staat vermeld als “schoonzoon van de budgethouder”
  • in het concept testament en in een notariële akte die één dag voor zijn overlijden is verleden het adres aan de [adres 2] staat
  • de buurvrouwen op 190 en 327 meter afstand wonen, met bomenrijen ertussen, en dus helemaal niet konden zien of erflater thuis was
  • ze betwist dat de verklaring door mevrouw [G] is opgesteld en ondertekend
  • dat uit de verklaring van mevrouw [G] ook niet blijkt dat ze een relatie met erflater had
  • zij niet wist dat zij was ontslagen als bestuurder van [D]
  • erflater een dag voor zijn overlijden nog een akte heeft laten passeren betreffende de aankoop van onroerend goed. Als erflater het concept testament had willen laten passeren, zou hij het dan hebben gedaan. Erflater was immers een zakenman en als hij iets wilde, dan regelde hij het ook meteen.
4.18.
[A] beroept zich op het rechtsgevolg van het testament en op haar rust dan de bewijslast. Zij betoogt immers dat de voorwaarde is vervuld waaronder de beschikkingen in het testament ten gunste van haar zijn gemaakt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat gemotiveerd. Meer concreet betekent dit dat zij moet bewijzen dat zij en erflater op het moment van zijn overlijden nog samenwoonden zoals omschreven in de samenlevingsovereenkomst. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in ieder geval meer voor nodig dan het enkel ingeschreven staan op hetzelfde adres.
4.19.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
draagt [A] op te bewijzen dat zij en erflater op het moment van zijn overlijden nog samenwoonden zoals omschreven in de samenlevingsovereenkomst,
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 15 april 2026voor uitlating door [A] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.3.
bepaalt dat, als [A] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
5.4.
bepaalt dat, als [A]
getuigenwillen laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
april tot en met juni 2026dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. F.E. Roll, in het paleis van justitie te ’s-Hertogenbosch, Leeghwaterlaan 8,
5.6.
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.E. Roll en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.