ECLI:NL:RBOBR:2026:173

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
26/10
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake sluiting woning en garage op grond van de Opiumwet

Op 13 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoekers, een moeder en haar zoon, een voorlopige voorziening vroegen tegen het besluit van de burgemeester van Oss om hun woning en garage te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De sluiting was bedoeld voor de duur van drie maanden, met ingang van 15 januari 2026, na een politieonderzoek dat had aangetoond dat er drugsactiviteiten plaatsvonden in de woning. Verzoekers waren het niet eens met deze maatregel en stelden dat de sluiting niet noodzakelijk en evenwichtig was. De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar van verzoekers geen redelijke kans van slagen had, omdat er voldoende bewijs was dat de woning en garage betrokken waren bij drugshandel. De voorzieningenrechter benadrukte dat de burgemeester bevoegd was om de sluiting te bevelen en dat de sluiting noodzakelijk was om de openbare orde te waarborgen. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor de sluiting van de woning en garage kon doorgaan.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/10

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster, en [verzoeker] , verzoeker, uit [woonplaats] ,

samen: verzoekers
(gemachtigde: mr. J.W. Weehuizen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss, de burgemeester
(gemachtigden: mr. Y. Celik en mr. D. Nelissen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester van 22 december 2025 om de woning en de garage van verzoekers op grond van de Opiumwet voor de duur van drie maanden te sluiten, met ingang van 15 januari 2026 om 10.00 uur. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekers.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat zij van oordeel is dat het bezwaar van verzoekers geen redelijke kans van slagen heeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Verzoekster en verzoeker zijn moeder en zoon die eigenaren en bewoners zijn van de woning en de daarbij behorende garage gelegen aan de [adres] in [woonplaats] .
2.1.
Naar aanleiding van een MMA [1] -melding bij de politie op 14 oktober 2025 is door de politie een onderzoek gestart op de [adres] in [woonplaats] . Dit onderzoek bestond uit onder meer een buurtonderzoek, een observatie op 30 oktober 2025 die drie dagen duurde, een doorzoeking van een autovoertuig dat werd bestuurd door verzoeker, het zicht houden op de [adres] in [woonplaats] en een binnentreden en doorzoeking van de woning en de garage aan de [adres] in [woonplaats] op 15 november 2025. De bevindingen van het onderzoek heeft de politie neergelegd in een op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage van 19 november 2025. Hierin staat onder meer dat door de politie op 15 november 2025 onopvallend zicht is gehouden op de [adres] in [woonplaats] . Door de politie is geconstateerd dat op dit adres verschillende voertuigen voor de woning stopten en personen kortstondig de woning betraden en vervolgens weer vertrokken. Er werd gezien dat een grijze BMW de woning opnieuw bezocht en vervolgens weer wegreed. De bestuurder bleek verzoeker te zijn. Hij werd gefouilleerd en de grijze BMW werd doorzocht.
Bij het fouilleren van verzoeker werden twee kleine gripzakken met, wat later bleek, cocaïne aangetroffen. Bij de doorzoeking van het autovoertuig zijn nog vier kleine gripzakken met, wat later bleek, cocaïne aangetroffen met een totaal nettogewicht van 5,3 gram. Verder werd in het autovoertuig een weegschaaltje en honderdvijftien euro aan contant geld aangetroffen.
Bij de doorzoeking van de garage, die alleen via de buitenkant van de woning te betreden is, is het volgende aangetroffen:
  • een zwarte zak met daarin henneptoppen, met een nettogewicht van 148,5 gram;
  • een gasdrukwapen (Airsoft Pistool) van het merk Umbrex TP50;
  • een gasdrukwapen (Airsoft Pistool) van het merk Desert Eagle.
Bij de doorzoeking van de woning is op de zolder, die via een vlizotrap te bereiken is, het volgende aangetroffen:
  • een kleine zak met witte poeder-/korrelachtige substantie aangetroffen, die na testen cocaïne bleek te zijn;
  • duizenden kleine gripzakjes, waarvan bekend is dat die gebruikt worden voor het verpakken van verdovende middelen;
  • weegschaal met een witte substantie;
  • twee verpakkingen met wit poeder, waarvan bekend is dat dit wordt gebruikt voor het versnijden van verdovende middelen.
Verder wordt in de bestuurlijke rapportage vermeld dat verzoeker heeft verklaard dat hij cocaïne koopt, verkoopt, versnijdt in de woning en zelf wat gebruikt. Ook wordt vermeld dat de woning zwaar vervuild was. Uit het buurtonderzoek is gebleken dat buurtbewoners al jarenlang verdachte situaties waarnemen door het komen en gaan van auto’s bij het adres van de woning.
2.2.
Op 2 december 2025 heeft de burgemeester aan verzoekers het voornemen bekend gemaakt om de woning en de garage te sluiten voor de duur van drie maanden wegens overtreding van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Verzoekers hebben gereageerd met een zienswijze.
2.3.
Op 18 december 2025 heeft de politie een aanvullende bestuurlijke rapportage opgemaakt.
2.4.
Met het bestreden besluit van 22 december 2025 heeft de burgemeester besloten om de woning en de garage aan de [adres] in [woonplaats] op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en overeenkomstig zijn Damoclesbeleid gemeente Oss 2023 te sluiten voor de duur van drie maanden met ingang van 15 januari 2026 om 10.00 uur. Volgens de burgemeester is zij bevoegd om de woning en de garage te sluiten, en is de sluiting noodzakelijk en evenwichtig. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.5.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
Verzoekers hebben met een e-mail van 8 januari 2026 aanvullende (medische) stukken ingediend.
2.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigden van de burgemeester. Verzoekster heeft de zitting niet bijgewoond.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening moet de voorzieningenrechter eerst vaststellen dat verzoekers een spoedeisend belang hebben [2] . De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers spoedeisend belang hebben, omdat zij door het bestreden besluit op korte termijn geen toegang meer tot hun woning hebben en elders onderdak moeten vinden.
4. Dan moet er een beoordeling plaatsvinden of het bestreden besluit na bezwaar zal standhouden. Dit heet het voorlopig rechtmatigheidsoordeel. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar van verzoekers redelijke kans van slagen heeft. Heeft het dat niet, dan wordt het verzoek afgewezen. Heeft het dat wel, dan wordt het verzoek toegewezen. Is er twijfel over, dan vindt een belangenafweging plaats tussen het algemeen belang dat de burgemeester met het besluit wil dienen en het concrete belang van verzoekers.
De beoordeling doet de voorzieningenrechter mede aan de hand van de rechtspraak die de Afdeling [3] heeft neergelegd in onder meer de uitspraak van 16 juli 2025 [4] .
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de bestuurlijke rapportage staat dat 148,5 gram henneptoppen is aangetroffen, een ruimschootse overschrijding van de gebruikershoeveelheid voor softdrugs van 5 gram. De hoeveelheid aangetroffen harddrugs van 0,6 gram is een (geringe) overschrijding van de gebruikershoeveelheid van 0,5 gram. Verder is aangetroffen een grote hoeveelheid gripzakjes, weegschalen en twee gasdrukwapens, waarvoor verzoekers geen vergunning hebben.
6. Zoals op de zitting is besproken, betwisten verzoekers niet de bevoegdheid van de burgemeester om de woning en de garage te sluiten. Ook betwisten zij niet de geschiktheid van deze maatregel. Zij vinden dat de sluiting niet noodzakelijk en evenwichtig is.
De noodzakelijkheid van de sluiting
7. Verzoekers voeren aan dat de burgemeester met een minder ingrijpend middel haar doelen kan bereiken door alleen de garage te sluiten en eventueel aan verzoeker een locatieverbod op te leggen.
8. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning en de garage over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester mag daarbij een onderscheid maken tussen hard- en softdrugs. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit de woning, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit de woning zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal en grote hoeveelheden contant geld en/of wapens. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van de woning noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken. Bij al het voorgaande dient de burgemeester ook rekening te houden met het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop zij ingevolge haar besluitvorming tot sluiting overgaat. Als het samenstel van omstandigheden meebrengt dat sluiting niet noodzakelijk is, dan dient de burgemeester hiervan af te zien.
9. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester de sluiting van de woning en garage noodzakelijk mogen vinden, omdat sprake is van een ernstig geval. Er is sprake van een zeer grote handelshoeveelheid softdrugs. Ook zijn er meerdere aanwijzingen dat de drugs feitelijk in of vanuit de woning en de garage zijn verhandeld. Dit blijkt uit de MMA-melding, de eigen waarnemingen door de politie (dat op het adres verschillende voertuigen voor de woning stopten, kortstondig de woning betraden en vervolgens weer vertrokken), de doorzoeking van een grijze BMW die door verzoeker werd bestuurd en waarin gripzakjes met cocaïne en contant geld is aangetroffen, de bevindingen uit het buurtonderzoek (dat er al jarenlang veel aanloop is naar de woning) en de vondst van de verdovende middelen/goederen in de woning en de garage, te weten de henneptoppen, attributen voor drugshandel en wapens. Hiermee is ook aannemelijk dat de woning en de garage een rol vervullen binnen de keten van drugshandel en dat de woning en de garage bekend staan als panden waar drugshandel of drugsbezit aanwezig is. De enkele stelling van verzoekers hiertegenover dat er geen loop naar de woning is geweest, is onvoldoende om aan de juistheid van de bevindingen zoals neergelegd in de bestuurlijke rapportage te twijfelen. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat de meldingen van de buurtbewoners worden ondersteund door wat de politie zelf heeft waargenomen en ook door wat in de woning en de garage is aangetroffen. De burgemeester heeft verder niet ten onrechte overwogen dat zij met een minder ingrijpend middel niet de beoogde doelen, te weten het beëindigen van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding, kan bereiken. In het verweerschrift heeft de burgemeester nader toegelicht dat het sluiten van alleen de garage onvoldoende is om de bekendheid van ook de woning als drugsgerelateerde locatie weg te nemen. Met het opleggen van een locatieverbod aan verzoeker wordt de bekendheid van de woning en de garage als onderdeel van de drugsketen niet weggenomen. De maatregel ziet niet op de persoon of bewoner van de woning en de garage, maar op de woning en de garage zelf. Verder is hiervoor van belang dat ook na het bestreden besluit van 22 december 2025 bij de wijkagent is gemeld dat nog steeds sprake is van een komen en gaan van auto’s bij het adres van de woning en garage. In dat verband wijst de voorzieningenrechter op de door de burgemeester overgelegde informatie van de politie van 6 januari 2026. De voorzieningenrechter ziet in de enkele niet onderbouwde ontkenning hiervan door verzoeker op de zitting geen aanleiding om aan de juistheid van deze informatie van een wijkagent te twijfelen.
Evenwichtigheid van de sluiting
10. Verzoekers voeren aan dat de sluiting niet evenwichtig is, in ieder geval niet in het geval van verzoekster. Zo wordt verzoekster niet verdacht van het plegen van strafbare feiten. Ook valt verzoekster niets te verwijten. Zij wist niet van de strafbare handelingen van verzoeker en zij kon er ook redelijkerwijs niet van weten. Zij kwam niet op de zolder in de woning en ook niet in de garage, mede vanwege haar lichamelijke gebreken, te weten de ziekte van Crohn en de situatie rondom haar rechtervoet. Volgens verzoekers is verzoekster aan bed gekluisterd en zij betwisten dat er vanuit de woning werd verhandeld. Verder voeren verzoekers aan dat verzoekster financieel niet in staat is om (tijdelijk) elders woonruimte te verkrijgen en dat het praktisch gezien onmogelijk is om vervangende woonruimte te verkrijgen gelet op haar medische situatie.
11. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van de degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken.
12. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van de situatie dat verzoekster geen enkel verwijt kan worden gemaakt van de overtreding. Als mede-bewoner en -eigenaar van de woning, waar de garage bij hoort, had zij toezicht moeten houden op wat er in en om de woning gebeurde [5] . Dit klemt te meer nu de burgemeester het aannemelijk heeft mogen vinden dat verzoekster op de hoogte was van verdachte activiteiten rondom de woning. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat uit het buurtonderzoek naar voren is gekomen dat het al jarenlang een komen en gaan is van auto’s bij de woning en dat de politie op 15 november 2025 zelf heeft waargenomen dat verschillende personen kortstondig de woning betraden. De stelling dat het voor verzoekster onmogelijk was die omstandigheden waar te nemen, is niet onderbouwd en volgt ook niet uit de door verzoekster overgelegde medische informatie.
13. Verder oordeelt de voorzieningenrechter dat verzoekers in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vinden van vervangende woonruimte. De burgemeester heeft verzoekers al in het voornemen van 2 december 2025 uitdrukkelijk gewezen op diverse mogelijkheden voor het regelen van vervangende woonruimte en de noodzaak om aan te tonen dat zij daartoe pogingen hebben ondernomen. Niet is gesteld of gebleken dat verzoekers die mogelijkheden hebben onderzocht of anderszins actief hebben gezocht naar vervangende woonruimte [6] . Op de zitting is daarop gericht doorgevraagd, maar anders dan de stelling dat verzoekster niet bij haar zonen terecht kan, is niet naar voren gekomen. Er is niet gevraagd bij eventuele andere familieleden of kennissen, bij woningcorporaties, makelaars of vakantieparken. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om de bezwaarprocedure af te wachten voor nadere informatie hierover, zoals namens verzoekers op de zitting is voorgesteld. De stelling dat verzoekster vanwege haar financiële omstandigheden niet elders terecht kan, is niet onderbouwd. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat het voor verzoekster al vanwege haar medische omstandigheden onmogelijk is om tijdelijk elders te verblijven, zoals verzoekers betogen. De burgemeester neemt aan dat verzoekster fysieke beperkingen heeft, maar zij heeft niet ten onrechte overwogen dat niet is gebleken of onderbouwd dat verzoekster daardoor een bijzondere binding heeft met de woning. De op de zitting overgelegde foto’s zijn daarvoor geen onderbouwing. Ook volgt dit niet uit de door verzoekster overgelegde medische informatie. Verder is het zo dat verzoekster na de sluitingsduur kan terugkeren naar de woning, omdat zij eigenaresse is. De voorzieningenrechter heeft net als de burgemeester aandacht voor de fysieke en medische omstandigheden van verzoekster, maar naar haar voorlopig oordeel maken de voor verzoekster nadelige gevolgen niet dat de sluiting onevenredig is gelet op de ernst van de overtreding.

Conclusie en gevolgen

14. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester de woning en de garage aan de [adres] in [woonplaats] mag sluiten met ingang van 15 januari 2026 om 10.00 uur. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Bos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.N.H. Tran, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Meld Misdaad Anoniem.
2.Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:752.
6.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3262.