ECLI:NL:RBOBR:2026:1810
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WOZ-waarde sociale huurwoning
Eiser stelde beroep in tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn sociale huurwoning, nadat de heffingsambtenaar de waarde had vastgesteld op €210.000 en dit na bezwaar had gehandhaafd. De rechtbank had eerder het beroep gegrond verklaard en de zaak terugverwezen, waarna de waarde opnieuw werd gehandhaafd. In het huidige beroep stelde eiser dat een verlaging van de WOZ-waarde invloed zou hebben op de huurprijs en lokale heffingen.
De rechtbank beoordeelde ambtshalve het procesbelang en concludeerde dat eiser dit niet had aangetoond. Eiser had geen verklaring van de verhuurder over de huurprijsconsequenties ingediend en had niet duidelijk gemaakt welke WOZ-waarde volgens hem juist zou zijn. De gehanteerde streefhuur ligt aanzienlijk lager dan de maximale huurprijs die mede op de WOZ-waarde is gebaseerd, waardoor een verlaging van de WOZ-waarde niet automatisch tot een lagere huur leidt.
Daarnaast werd het verzoek om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen. Hoewel de procedure drie jaar duurde en daarmee de redelijke termijn van twee jaar werd overschreden, voldeed eiser niet aan de criteria uit het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024, omdat het financieel belang minder dan €1.000 bedroeg en de termijn niet meer dan twaalf maanden was overschreden.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, keerde geen griffierecht of proceskostenvergoeding uit en wees het schadevergoedingsverzoek af. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Woestenburg op 20 maart 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.