Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen
(zaaknummer SHE 25/2634) [eisers 1] , uit [woonplaats] ,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heusden,
[naam] uit [vestigingsplaats] (de vergunninghoudster).
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
“Na overleg met omwonenden wordt invulling gegeven aan het definitieve ontwerp van de houtwal/groenstrook en deze houtwal/groenstrook moet gedurende de tijd dat de tijdelijke woningen op deze locatie in gebruik zijn, in stand worden gehouden.”
11.1. Eisers voeren aan dat dit voorschrift onvoldoende concreet is en tot rechtsonzekerheid leidt. Er ontbreken concrete eisen aan de inrichting, omvang, hoeveelheid, hoogte, dichtheid, soort bomen of struiken en het onderhoudsniveau van de houtwal/groenstrook (hierna: de houtwal). Het voorschrift bepaalt niet wanneer het overleg over de houtwal moet plaatsvinden en wanneer de houtwal moet zijn aangelegd. Eisers 1 willen dat er niet nog meer hoge beplanting nabij hun tuin wordt gerealiseerd. Eiser 2 wil dat zijn privacy wordt gewaarborgd. Eiser 3 wil dat in ieder geval wordt opgenomen dat de houtwal:
12.2. De rechtbank ziet in wat eiser 2 heeft aangevoerd geen concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat het college de mogelijke effecten van de wadi op de waterhuishouding onvoldoende heeft onderzocht dan wel onvoldoende in de besluitvorming heeft betrokken. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de waterdeskundige van de gemeente uitvoerig heeft toegelicht dat percelen aan de Pieter Bruegelstraat geen nadelige gevolgen zullen ondervinden van de wadi. Eiser 2 heeft niet op deze uitleg gereageerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de uitleg van de waterdeskundige te twijfelen.
De beroepsgrond slaagt niet.
13.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de betrokken normen van de Wet natuurbescherming niet strekken tot bescherming van belangen van eisers.
13.2. Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet mag vernietigen vanwege schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die zich daarop beroept. Hiermee heeft de wetgever de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad.
Wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord."
“Ter hoogte van het plangebied is de Pieter Bruegelstraat een doodlopende weg, waardoor alleen bestemmingsverkeer gebruik maakt van deze weg. Om deze reden wordt aangehouden dat de verkeersintensiteit in de autonome situatie dermate laag is, dat de beoogde verkeerstoename probleemloos wordt opgevangen zonder dat dit leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van de weg. Voor de overige wegvakken geldt dat de beoogde verkeerstoename dermate laag is dat het effect op de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling verwaarloosbaar is.”De rechtbank gaat ervan uit dat met het voorgaande (ook) de verkeerssituatie op De Hoge Heide is bedoeld. Die weg ligt ter hoogte van het plangebied, loopt dood en kan in de bestaande situatie redelijkerwijs enkel door bestemmingsverkeer worden gebruikt. Gelet op de geringe verkeerstoename als gevolg van het beoogde project is met het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat de beoogde ontwikkeling uit een oogpunt van verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid aanvaardbaar is. Eisers hebben geen concrete aanknopingspunten aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat het verkeersonderzoek op dit punt niet volledig is geweest.