Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3861

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
SHE 24/1929
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BWArt. 3 ZWArt. 7 ZWArt. 20 ZWArt. 30a ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering Ziektewet-uitkering wegens ontbreken dienstverband

Eiseres had een Ziektewet-uitkering ontvangen die het UWV later introk en terugvorderde omdat zij niet in een dienstverband zou hebben gewerkt. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres tegen deze besluiten.

Na onderzoek concludeerde het UWV dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, omdat eiseres geen werkzaamheden had verricht, geen loon had ontvangen en er tegenstrijdigheden waren in de salarisspecificaties en verklaringen. Eiseres kon dit niet met objectief bewijs weerleggen.

De rechtbank oordeelt dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld en dat het beroep ongegrond is. Tevens is de redelijke termijn in de procedure overschreden, waardoor eiseres een immateriële schadevergoeding van € 500 krijgt. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de ZW-uitkering door het UWV is terecht.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/1929

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.J. Driessen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigden: mr. M.W.G. Bombeeck en I.P.A.M. van Lieshout).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
de Staat der Nederlanden(de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de intrekking, terugvordering en invordering van haar uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Het UWV vordert de uitkering van eiseres terug, omdat eiseres geen recht zou hebben op deze uitkering. Volgens het UWV was eiseres niet verzekerd voor de ZW, omdat eiseres niet in een dienstverband heeft gewerkt. Eiseres is het hiermee niet eens. Zij voert aan dat wel degelijk sprake is geweest van een dienstverband. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluiten van het UWV.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, zodat eiseres niet verzekerd is voor de ZW. Daarom heeft het UWV de onverschuldigd betaalde uitkering terecht teruggevorderd. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 en 5 staan de standpunten van partijen benoemd. Vanaf 7 beoordeelt de rechtbank of eiseres verzekerd is voor de ZW en de WIA. Onder 12 beoordeelt de rechtbank de terugvordering van de uitbetaalde uitkeringen. Onder 13 behandelt de rechtbank het verzoek van eiseres om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De conclusie en de gevolgen worden onder 14 benoemd. Daarna volgt de beslissing.

Procesverloop

2. Bij besluit van 14 januari 2022 is aan eiseres een ZW-uitkering toegekend. Dat besluit heeft het UWV ingetrokken bij besluit van 11 december 2023. Met het besluit van 8 december 2023 heeft het UWV een bedrag van € 2.049,85 bruto aan te veel betaalde ZW-uitkering teruggevorderd. De terugvordering ziet op de periode van 1 december 2021 tot en met 16 januari 2022. Met het besluit van 20 december 2023 heeft het UWV het bedrag van € 2.049,85 bruto ingevorderd.
2.1.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Met het besluit van 4 april 2024 (het bestreden besluit) is het UWV bij zijn besluiten gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
3. Eiseres heeft op 30 november 2021 een ZW-uitkering aangevraagd. Daarbij heeft zij opgegeven dat zij van 1 tot en met 30 november 2021 een dienstverband heeft gehad als administratief medewerker bij advocatenkantoor [naam] (de werkgever). Verder heeft eiseres aangegeven dat zij per 22 november 2021 ziek is. Met het besluit van 14 januari 2022 is aan eiseres per 1 december 2021 een ZW-uitkering toegekend. Per 17 januari 2022 is de ZW-uitkering van eiseres beëindigd omdat zij arbeidsgeschikt is. Het beroep van eiseres tegen dit besluit is door de rechtbank Oost-Brabant op 27 maart 2023 ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep (de CRvB) heeft de uitspraak van de rechtbank op 17 januari 2024 bevestigd.
3.1.
Naar aanleiding van een interne melding bij het UWV dat mogelijk sprake was van een gefingeerd dienstverband is een onderzoek gestart. Het UWV heeft vervolgens onderzoek gedaan naar het bestaan van een dienstbetrekking tussen eiseres en [naam] . De bevindingen van dit onderzoek zijn opgenomen in het Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 27 september 2023. De conclusie is dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiseres en [naam] en dat eiseres dus ook niet verzekerd was voor de Ziektewet.
3.2.
Deze conclusie heeft geleid tot de besluiten, genoemd onder het kopje “Procesverloop”.
Standpunten van partijen
4. Volgens het UWV bestond geen privaatrechtelijk dienstverband tussen eiseres en [naam] . Het is namelijk onvoldoende aannemelijk geworden dat eiseres werkzaamheden heeft verricht voor [naam] en daarvoor loon heeft ontvangen. Het UWV baseert dit standpunt op de bevindingen van het onderzoek. Het UWV wijst erop dat een arbeidsovereenkomst voor de duur van één maand is aangegaan. Daarnaast bestaan tegenstellingen tussen de salarisspecificatie en een verklaring van eiseres over de salarisbetaling. Ook wijst het UWV op tegenstrijdigheden wat betreft een proefplaatsing bij [naam] , over het vervoer van eiseres van en naar [naam] en noemt het UWV dat eiseres kort na het einde van het dienstverband bij een verzekeringsarts geen toelichting kon geven op de werkzaamheden die zij zou hebben verricht. Verder geven de bankafschriften van eiseres aanleiding voor het standpunt dat zij niet heeft gewerkt. Omdat geen dienstverband bestond, was eiseres niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Het UWV stelt zich daarom op het standpunt dat de uitkering terecht is teruggevorderd.
5. Eiseres vindt dat geen grond bestaat voor het intrekken en terugvorderen van de uitkering. Het UWV heeft niet aannemelijk gemaakt dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen haar en [naam] . Eiseres betwist dat het dienstverband gefingeerd was. Zij heeft wel degelijk werkzaamheden verricht voor [naam] . Ze heeft besprekingen en zittingen bijgewoond. Eiseres stelt dat sprake was van feitelijke arbeid, gezagsverhouding en loon.
Eiseres stelt verder dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het UWV heeft in zijn besluitvorming het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het fair play-beginsel geschonden. Eiseres vindt dat sprake is van ontoelaatbaar bestuurlijk machtsmisbruik, waaronder discriminatie.
Het beoordelingskader
6. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
De overwegingen van de rechtbank
7. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of het UWV terecht heeft besloten dat eiseres niet verzekerd is voor de ZW, omdat zij geen werknemer was vanwege het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
Geen strijdigheid met algemene beginselen van behoorlijk bestuur
8. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat sprake is van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In tegenstelling tot eiseres acht de rechtbank het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid. Het bestreden besluit is gebaseerd op voornoemd onderzoeksrapport, waaruit blijkt dat het onderzoek door het UWV onder meer heeft bestaan uit het raadplegen verschillende interne en externe systemen. Verder heeft het UWV contact gehad met de adviseur Gezondheidsfraude van het UWV en heeft zij bankafschriften van eiseres gevorderd en beoordeeld. Ook heeft het UWV eiseres en haar gemachtigde meermaals de gelegenheid gegeven om een mondelinge toelichting te geven. Nadat de gemachtigde van eiseres te kennen gaf dat eiseres geen mondelinge toelichting zou geven, heeft het UWV schriftelijke vragen toegestuurd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV hiermee het onderzoek zorgvuldig uitgevoerd. Van enige strijd met andere rechtsbeginselen is de rechtbank eveneens niet gebleken. Ook de stelling van eiseres dat het UWV gediscrimineerd heeft volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft op geen enkele manier toegelicht, laat staan aangetoond, dat het UWV bij zijn onderzoek, dan wel op een ander moment in de besluitvorming zich heeft laten leiden door de achtergrond of afkomst van eiseres.
Was eiseres verzekerd voor de ZW en mocht het UWV de ZW-uitkering intrekken?
9. Voor het antwoord op de vraag of eiseres tot [naam] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan, is bepalend of tussen haar en [naam] sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel omschrijft de arbeidsovereenkomst als een overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, gedurende zekere tijd arbeid te verrichten voor loon. Bepalende criteria zijn dus het verrichten van arbeid, het betalen van loon en het uitoefenen van gezag. Bij de beantwoording van de vraag of een rechtsverhouding beantwoordt aan deze criteria moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen hebben gestaan, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en zo daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet een enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. [1]
9.1.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB [2] gaat het bij besluiten tot intrekking en terugvordering van socialezekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in deze procedure mee dat het UWV feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking is geweest tussen eiseres en [naam] . Als op grond van de door het UWV gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiseres geen dienstbetrekking in de zin van de werknemersverzekeringen heeft vervuld, ligt het op de weg van eiseres de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
Met andere woorden: de bewijslast ligt bij het UWV, maar het is niet zo dat het UWV moet aantonen dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband. Het aannemelijk maken volstaat.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV aannemelijk gemaakt dat geen sprake was van een dienstbetrekking tussen eiseres en [naam] en is het UWV dus in haar bewijslast geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
10.1.
Het UWV heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres geen werkzaamheden heeft verricht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van slechts één maand. Eiseres heeft verklaard dat zij via een proefplaatsing door de gemeente Oss bij [naam] is geplaatst, maar de gemeente Oss heeft desgevraagd aan het UWV verklaard dat daarvan in de betreffende periode geen sprake was. Verder blijkt uit de bankafschriften van eiseres dat met haar bankpas pintransacties zijn gedaan in Oss en Nistelrode op de dagen dat eiseres zou hebben gewerkt op het kantoor in Vianen. Ook heeft eiseres verklaard dat zij met de auto naar het werk is gegaan, maar heeft het UWV toegelicht dat eiseres in die periode geen auto op haar naam had staan. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres tijdens een gesprek bij de verzekeringsarts, slechts twee maanden na het einde van het opgegeven dienstverband bij [naam] , geen toelichting kon geven over de werkzaamheden die zij zou hebben verricht. Ook heeft het UWV aannemelijk gemaakt dat eiseres geen loon heeft ontvangen. De salarisspecificatie van eiseres is namelijk niet in lijn met overige bescheiden. Op de salarisspecificatie staat dat het loon per bank is betaald, terwijl eiseres in een schriftelijke verklaring heeft aangegeven dat het salaris contant is voldaan. Deze verklaring is niet ondertekend door [naam] . Bovendien is een volledig contante betaling op grond van de Wet Aanpak Schijnconstructies niet toegestaan. Omdat de eigenaar van [naam] ook juridisch gemachtigde is (en advocaat was), had hij daarvan op de hoogte moeten zijn.
10.2.
Omdat het UWV aan haar bewijslast heeft voldaan, is het, zoals hiervoor is overwogen, vervolgens aan eiseres om met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat de informatie van het UWV niet juist is. Dit heeft eiseres echter niet gedaan. Zo heeft eiseres weliswaar een arbeidsovereenkomst overgelegd, maar dit is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat zij daadwerkelijk arbeid heeft verricht en loon heeft ontvangen. Eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit haar werkzaamheden zijn gebleken. De enkele stelling van eiseres daarover dat haar werkzaamheden onder geheimhoudingsplicht vallen, is onvoldoende. Eiseres heeft zelf toegelicht dat zij ook met derden, zoals de boekhouder, contact heeft gehad. Alleen al om die reden valt niet in te zien waarom zij geen bewijs levert waaruit dat contact blijkt. Bovendien had zij met een beroep op artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht stukken kunnen overleggen of stukken kunnen anonimiseren. Eiseres heeft de discrepanties tussen de salarisspecificatie en de overige bescheiden niet kunnen weerleggen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de toelichting van eiseres op de zitting dat zij elke week € 400 contant betaald kreeg niet in lijn is met de salarisspecificatie en ook niet correspondeert met het bedrag van € 1.759,86 zoals genoemd staat in de schriftelijke verklaring. [naam] heeft ook geen kasboek of loonadministratie overgelegd waaruit de betaling van het loon volgt. Verder heeft eiseres geen verklaring gegeven voor de omstandigheid dat zij twee maanden na het einde van het dienstverband in een gesprek bij de verzekeringsarts geen toelichting kon geven over haar werkzaamheden bij [naam] . De enkele stelling dat de weergave van het gesprek door de verzekeringsarts niet juist is, is daarvoor onvoldoende. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er dan ook niet in geslaagd om aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens voldoende tegenbewijs te leveren dat zij daadwerkelijk werkzaam is geweest voor [naam] .
10.3.
Gelet op het voorgaande stelt het UWV zich terecht op het standpunt dat eiseres niet verzekerd is voor de ZW en heeft het UWV dus terecht beslist dat eiseres geen ZW-uitkering kan krijgen.
11. Het UWV heeft terecht de uitkering ingetrokken. Wanneer sprake is van een dringende reden, kan van intrekking worden afgezien. Voor een uitgebreide beschrijving van de uitgangspunten die hierbij gelden, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de CRvB van 18 april 2024. [3] Het is aan eiseres om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat sprake is van een dringende reden. Dit heeft eiseres echter niet gedaan. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een dringende reden om af te zien van intrekking van de ZW-uitkering.
De terug- en invordering van de ZW-uitkering
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV terecht de ZW-uitkering teruggevorderd. In beginsel is terugvordering een verplichting, tenzij sprake is van een dringende reden. Van een dringende reden om af te zien van de terugvordering is, om dezelfde reden als hiervoor weergegeven ten aanzien van de intrekking, geen sprake. Ook mocht het UWV de uitkering bruto terugvorderen.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
13. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
13.1.
De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar zouden moeten worden afgehandeld. Als uitgangspunt voor de schadevergoeding wordt een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar (naar boven afgerond) waarmee die termijn is overschreden. [4]
13.2.
Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 18 december 2023 door het UWV tot de datum van deze uitspraak zijn (afgerond) twee jaar en zes maanden verstreken. De redelijke termijn is in dit geval dus met zes maanden overschreden. Dit betekent dat eiseres een vergoeding krijgt van € 500. Deze overschrijding komt voor de gehele periode voor rekening van de Staat.

Conclusie en gevolgen

14. Uit voorgaande overwegingen blijkt dat het UWV op juiste gronden de ZW-uitkering heeft ingetrokken, teruggevorderd en ingevorderd. Het beroep is dus ongegrond. Wegens het overschrijden van de redelijke termijn krijgt eiseres een immateriële schadevergoeding van € 500.
14.1.
Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van eiseres die verband houden met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467 in beroep voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verzoek, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 0,5).
14.2.
Eiseres krijgt het griffierecht niet vergoed, omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding is gedaan na het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024. [5]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen aan eiseres van een vergoeding van schade van € 500;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 467 aan proceskosten van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.C. Veelenturf , voorzitter, en mr. G. de Jong en
mr. J. Woestenburg, leden, in aanwezigheid van mr. Y. Mutsaers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
Voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
Op grond van het eerste lid van artikel 6 van Pro het EVRM heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.
Ziektewet
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de ZW is een werknemer de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
In artikel 7, onderdeel a, van de ZW is geregeld dat voor de ZW als werknemer wordt beschouwd degene die een uitkering krijgt op grond van de WW.
In artikel 20 van Pro de ZW is bepaald dat werknemers in de zin van deze wet zijn verzekerd voor de ZW.
In artikel 30a, eerste lid, van de ZW is bepaald dat, onverminderd het elders in die wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ziekengeld en terzake van weigering van ziekengeld, het UWV een dergelijk besluit herziet of intrekt:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 30, 31, 38, 45 of 49 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ziekengeld;
b. indien anderszins het ziekengeld ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 28, 31, 45 of 49 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ziekengeld bestaat.
Op grond van artikel 30a, tweede lid, van de ZW kan het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.
In artikel 33, eerste lid, van de ZW is bepaald dat het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a of 45 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het UWV wordt teruggevorderd.
In artikel 33, zesde lid, van de ZW is bepaald dat, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het UWV kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Burgerlijk Wetboek
Op grond van artikel 7:610, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is de arbeidsovereenkomst, de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere arbeid te verrichten.

Voetnoten

1.Centrale Raad van Beroep, 20 mei 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1181.
2.Centrale Raad van Beroep, 17 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1479.
3.Centrale Raad van Beroep, 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
4.Centrale Raad van Beroep, 1 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1998.
5.Zie het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2.