Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3950

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
24/2783 en 24/2789
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 WnbArt. 2.9 Aanvullingswet natuur OmgevingswetRichtlijn 2009/147/EGRichtlijn 92/43/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging weigering natuurvergunning uitbreiding vakantiepark nabij Natura 2000-gebied

De derde-partij diende een aanvraag in voor een natuurvergunning op grond van de Wet natuurbescherming voor uitbreiding en wijziging van een vakantiepark nabij het Natura 2000-gebied Hollands Diep. Het college weigerde de vergunning omdat het meende dat geen natuurvergunning nodig was, uitgaande van een referentiesituatie gebaseerd op een eerdere omgevingsvergunning uit 2018.

Eisers stelden dat het college onjuist van de referentiesituatie was uitgegaan en dat het aangevraagde project niet als hetzelfde project kon worden beschouwd. De rechtbank volgde de nieuwe rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2024, waarin intern salderen niet meer mag worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning nodig is.

De rechtbank oordeelde dat het college onterecht had geoordeeld dat geen natuurvergunning nodig was en vernietigde het bestreden besluit. Het college werd opgedragen binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen. Tevens werden het griffierecht en proceskosten aan eisers toegekend. De rechtbank zag geen aanleiding tot aanhouding of tussenuitspraak en wees op de mogelijkheid van hoger beroep.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de natuurvergunning wordt vernietigd en het college wordt opgedragen binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 24/2783 en SHE 24/2789
proces-verbaal mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaken tussen

[eiser 1] , uit [woonplaats] , eiser 1

(gemachtigde: mr. J. de Haas),

[eiser 2] , uit [woonplaats] , eiser 2

(gemachtigden: S.J. Groenhof en mr. F. Dingemans)
en
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant, het college
(gemachtigden: mr. M. Box en mr. T.J.H. Verstappen).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
[naam]uit [vestigingsplaats] (derde-partij)
(gemachtigde: mr. J.J.H. Hulshof).

Inleiding

1. De derde-partij heeft een aanvraag ingediend voor een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het uitbreiden en wijzigen van een vakantiepark. Het college heeft deze aanvraag in het besluit van 12 juni 2024 geweigerd omdat volgens het college geen natuurvergunning nodig is
1.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens eiser 1 en de gemachtigden van eisers, de gemachtigden van het college, en [naam] en [naam] en [naam] namens de derde-partij en de gemachtigde van derde-partij. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het besluit van 12 juni 2024;
  • draagt het college op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van de derde-partij binnen zes maanden na deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eiser 1 en aan eiser 2 moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser 1 en
€ 24,80 aan proceskosten aan eiser 2;

Beoordeling door de rechtbank

De niet betwiste feiten
2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden
Het vakantiepark is begin zestiger jaren van de vorige eeuw opgericht. Het park ligt aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Het park grenst nagenoeg direct aan het Natura 2000-gebied Hollands Diep (dat ligt aan de overzijde van de Oostdijk).
Het Hollands Diep is aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG (Vogelrichtlijn) en als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) en is een Natura 2000-gebied.
Voor het vakantiepark is op 17 november 1992 een vergunning op basis van de Wet milieubeheer verleend. Op 26 april 2018 is voor het laatst een omgevingsvergunning verleend voor het vakantiepark. Deze omgevingsvergunning heeft het college als uitgangspunt (referentiesituatie) gehanteerd bij het nemen van het bestreden besluit.
Op 21 juni 2023 heeft de derde-partij een aanvraag voor een natuurvergunning gedaan. De aanvraag ziet op een wijziging (met veel nieuwere voorzieningen) en een uitbreiding van het vakantiepark. De uitbreiding vindt plaats op een perceel dat daarvoor agrarisch werd gebruikt. De aanvraag voorziet ook in een uitbreiding naar 365 vakantiewoningen.
Het college heeft een ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Eiser 1 heeft zienswijzen ingediend. Eiser 2 heeft geen zienswijzen ingediend.
2.1.
Het college stelt in het bestreden besluit vast dat sprake is van een gelijkblijvende of afnemende stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied ten opzichte van de referentiesituatie. Er zijn ook overige effecten. Het college sluit op voorhand uit dat vanwege het aangevraagde project gevolgen zullen optreden voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Het college verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State van 20 januari 2021 [1] . Daarom is het college van mening dat er geen natuurvergunning nodig is en weigert het college de aanvraag.
2.2.
Bij de beoordeling is van belang dat de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking zijn getreden. Als voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit op grond van de Wnb is ingediend blijft, op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, het recht zoals dat gold onmiddellijk voor dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Omdat de aanvraag van de derde-partij is ingediend voor 1 januari 2024, blijven de Wnb en de daarop gebaseerde regelgeving, zoals die golden voor 1 januari 2024, van toepassing.
3. Eisers hebben beiden aangevoerd dat het college van een onjuiste referentiesituatie is uitgegaan en hebben hierover meerdere gronden aangevoerd. Zij stellen hierbij onder meer dat het aangevraagde project niet kan worden gezien als één en hetzelfde project in de referentiesituatie omdat in de loop van de tijd veel is veranderd aan het vakantiepark.
3.1.
De Afdeling heeft op 18 december 2024 [2] de rechtspraak-lijn over intern salderen gewijzigd ten opzichte van de uitspraak van 20 januari 2021. Die wijziging komt er in de kern op neer dat intern salderen niet meer mag worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning nodig is. De rechtbank zal de rechtmatigheid van het bestreden besluit met inachtneming van deze nieuwe rechtspraak-lijn van de Afdeling beoordelen want die is gebaseerd op wetgeving en op rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof) die er ook was ten tijde van het bestreden besluit [3] .
3.2.
Het aangevraagde project kan niet worden beschouwd als een en hetzelfde project waarvoor de omgevingsvergunning in 2018 is verleend. Het huidige bedrijf is niet onder dezelfde voorwaarden in werking en de activiteiten worden niet onder dezelfde voorwaarden uitgevoerd. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het arrest van het Hof van 7 november 2018, het arrest van het Hof van 10 november 2022 [4] en de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2026 [5] .
3.3.
Het standpunt in het bestreden besluit dat geen natuurvergunning noodzakelijk is, is onjuist. Dit standpunt is gebaseerd op een beoordeling van de effecten van het aangevraagde project ten opzichte van een referentiesituatie die daarvan afwijkt. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 is een natuurvergunning wel noodzakelijk. In het midden kan blijven of de referentiesituatie met betrekking tot de oude camping of de naastgelegen percelen waarop de uitbreiding is voorzien juist is bepaald.

Conclusie en gevolgen

4. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 2.7 van de Wnb en wordt daarom vernietigd.
4.1.
Kort voor de behandeling op zitting heeft de derde-partij een rapport overgelegd genaamd ‘Voortoets stikstofeffecten Vakantiepark Bovensluis Willemstad’ (verder: voortoets). In de voortoets wordt volgens de derde-partij op voorhand uitgesloten dat de aanleg en het gebruik van het vakantiepark Bovensluis leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden, zonder hierbij mitigerende maatregelen (zoals intern salderen met een referentiesituatie of extern salderen te betrekken), niet op zichzelf en ook niet in cumulatie met andere projecten. Op drie Natura 2000-gebieden met habitattypen gevoelig voor stikstofdepositie wordt in de voortoets geconcludeerd dat de aanleg van het vakantiepark voorziet in een zeer beperkte tijdelijke toename (tot maximaal 0.02, mol/hectare/jaar) op een beperkt gebied en het gebruik op een nog kleinere toename binnen de Natura 2000-gebieden ‘Biesbosch’, ‘Brabantse Wal ’en ‘Krammer-Volkerak’.
4.2.
Het college heeft op zitting aangegeven dat niet valt uit te sluiten dat het project na een passende beoordeling vergunbaar blijkt te zijn.
4.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten naar aanleiding van de voortoets. In dat geval zou de rechtbank zelf een beoordeling geven over de in de voortoets geschetste ecologische gevolgen van het project en dat gaat ver. De rechtbank neemt ook het standpunt van het college in aanmerking dat een passende beoordeling noodzakelijk is. Overigens kan de uitkomst van een passende beoordeling ook zijn dat de gevolgen van het project niet significant zijn. [6]
4.4.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden dan wel een tussenuitspraak te doen en het college de gelegenheid te bieden om een herstelbesluit te nemen. Het college heeft ter zitting aangegeven dat eenieder de gelegenheid moet krijgen om te reageren op een ontwerpbesluit natuurvergunning (als het college dat zou nemen). Bovendien zou een eventueel te verlenen natuurvergunning een besluit zijn dat qua inhoud zodanig verschilt dat mogelijk ook andere belanghebbenden beroep zouden willen instellen. Hierbij merkt de rechtbank op dat tegen het ontwerp-bestreden besluit ook door andere partijen dan eisers zienswijzen zijn ingediend. Tot slot is deze handelwijze niet efficiënt omdat er ook nog beroepen zijn ingediend tegen de omgevingsvergunning die is verleend voor het vakantiepark die worden behandeld door de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
4.5.
Daarom volstaat de rechtbank met vernietiging van het bestreden besluit en de opdracht aan het college om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van de derde-partij uiterlijk 30 november 2026. Mochten tegen dit positieve (of negatieve) besluit beroepen worden ingesteld, zal de rechtbank deze beroepen versneld behandelen.
4.6.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Omdat de verzoeken deels worden toegewezen moet het college de door verzoekers betaalde griffierechten vergoeden. Zij krijgen ook een vergoeding van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde aan eiser 1 beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting) en voor de reiskosten van de gemachtigden van eiser 2 op € 24,80 (tweemaal retour van € 12,40).
4.7.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026 door mr. M.J.H.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.Arresten van 10 november 2022, ECLI:EU:C:2022:864 en 15 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:477.
4.ECLI:EU:C:2022:864
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 3 december 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:6326