De derde-partij diende een aanvraag in voor een natuurvergunning op grond van de Wet natuurbescherming voor uitbreiding en wijziging van een vakantiepark nabij het Natura 2000-gebied Hollands Diep. Het college weigerde de vergunning omdat het meende dat geen natuurvergunning nodig was, uitgaande van een referentiesituatie gebaseerd op een eerdere omgevingsvergunning uit 2018.
Eisers stelden dat het college onjuist van de referentiesituatie was uitgegaan en dat het aangevraagde project niet als hetzelfde project kon worden beschouwd. De rechtbank volgde de nieuwe rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2024, waarin intern salderen niet meer mag worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning nodig is.
De rechtbank oordeelde dat het college onterecht had geoordeeld dat geen natuurvergunning nodig was en vernietigde het bestreden besluit. Het college werd opgedragen binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen. Tevens werden het griffierecht en proceskosten aan eisers toegekend. De rechtbank zag geen aanleiding tot aanhouding of tussenuitspraak en wees op de mogelijkheid van hoger beroep.