ECLI:NL:RBOBR:2026:4808

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
SHE 25/1958
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArtikel 30a Wet WOZBesluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging WOZ-beschikking wegens schending hoorplicht in bezwaarfase

Eiseres maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een hotel/congresgebouw, gevestigd in een voormalig klooster, met een waarde vastgesteld op €4.900.000 per 1 januari 2024. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de waarde. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat eiseres ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase, ondanks dat zij daartoe had verzocht.

De heffingsambtenaar had tweemaal per e-mail contact gezocht om een hoorzitting in te plannen, maar stelde een fatale termijn waarna bij uitblijven van reactie werd aangenomen dat eiseres afzag van het recht om gehoord te worden. De rechtbank oordeelde dat dit onterecht was omdat het uitblijven van een reactie ook andere oorzaken kan hebben en dat de heffingsambtenaar bij twijfel opnieuw contact had moeten zoeken.

Omdat de hoorplicht is geschonden, vernietigt de rechtbank de uitspraak op bezwaar en wijst het beroep toe. De zaak wordt terugverwezen naar de heffingsambtenaar om opnieuw uitspraak te doen nadat eiseres alsnog is gehoord. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt afgewezen omdat de redelijke termijn niet is overschreden.

De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres, waarbij de proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op €62,27 voor dit beroep, rekening houdend met samenhangende beroepen en de toepasselijke vermenigvuldigingsfactor uit de Wet WOZ.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar wegens schending van de hoorplicht en wijst het beroep toe met terugverwijzing naar de heffingsambtenaar.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1958

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: [naam]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de WOZ-waarde van een restaurant aan de [adres] in [vestigingsplaats].
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van het hotel met de beschikking van 25 februari 2025 vastgesteld op € 4.900.000. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2024 en voor het kalenderjaar 2025. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerendezaakbelasting gebruikersheffing 2025 opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 31 juli 2025 (de bestreden uitspraak) het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de waarde gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Eiseres heeft nadere stukken ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.

Feiten

2. Eiseres is gebruiker van de onroerende zaak aan de [adres] in [vestigingsplaats]. De eigenaar is [naam].
2.1.
De onroerende zaak [adres] in [vestigingsplaats] is een hotel/congresgebouw, gevestigd in een voormalig klooster uit 1955. De onroerende zaak is in 2017 en 2018 volledig gerenoveerd. Het hotel beschikt over 99 hotelkamers en 19 conferentiezalen.

Beoordeling door de rechtbank

Vooraf
3. Eiseres heeft op 19 mei 2026 een aanvullend beroepschrift ingediend. De heffingsambtenaar heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat dit stuk binnen de 10-dagentermijn is ingediend en dat dit stuk wegens de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar daarin niet. Het aanvullend beroepschrift is op de tiende dag voor de zitting in het digitale dossier geplaatst. In beginsel is dit stuk dan ook binnen de 10-dagentermijn ingediend. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om te bepalen dat het aanvullend beroepschrift buiten beschouwing moet worden gelaten in verband met de goede procesorde. De heffingsambtenaar heeft op de zitting namelijk voldoende gelegenheid gehad en daarvan ook gebruik gemaakt om op de aanvullende beroepsgronden van eiseres te reageren.
4. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 27 en 28 mei 2026 twee nadere stukken heeft ingediend. Het stuk van 27 mei 2026 betreft een beleidsstuk met als titel “Beleidsstuk – De WOZ-rechtsbijstandspraktijk na de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen: positie en werkwijze van Bartels Consultancy B.V.”. Het stuk van 28 mei 2026 heeft als titel “Prealabele brief – AI gebruik verweerder; verzoek tot het stellen van vragen als punt van orde”. Deze stukken zijn ver binnen de 10-dagentermijn ingediend, nu de zitting op 29 mei 2026 heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat dit zodanig laat is, dat toelating van de stukken strijd oplevert met de goede procesorde. De rechtbank vindt dat eiseres voldoende gelegenheid had om de nadere stukken eerder in te dienen bij de rechtbank, te meer nu eiseres al ruim vijf maanden over het verweerschrift beschikte. Dat eiseres daar niet voor heeft gekozen moet voor haar risico komen. Met het indienen van de stukken vlak voor de stukken is de heffingsambtenaar de mogelijkheid ontnomen om daar adequaat op te kunnen reageren. Als eiseres deze stukken eerder had ingediend, en niet valt in te zien waarom dat niet had gekund, was dit redelijkerwijs wel mogelijk geweest. Deze stukken worden daarom buiten beschouwing gelaten.
Schending hoorplicht
5. Eiseres stelt dat zij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. Er is geen sprake geweest van een ondubbelzinnige afstandsverklaring van het recht om gehoord te worden. Eiseres merkt op dat zij gereageerd heeft op de uitnodiging voor de hoorzitting. Die reactie is van dezelfde datum als de uitspraak op bezwaar. Dat betekent volgens eiseres dat de heffingsambtenaar de reactie van eiseres ten onrechte niet heeft meegenomen in de beoordeling van het bezwaarschrift.
5.1.
De heffingsambtenaar betwist dat in de bezwaarfase de hoorplicht is geschonden. Ondanks meerdere voorstellen aan eiseres voor het plannen van een hoorzitting is het niet tot een hoorzitting gekomen, aldus de heffingsambtenaar. Eiseres is met de e-mail van 26 juni 2025 uitgenodigd voor een hoorzitting. Vervolgens heeft de heffingsambtenaar met de e-mail van 4 juli 2025 nogmaals gepoogd om een hoorzitting in te plannen met eiseres. In de e-mail van 4 juli 2025 heeft de heffingsambtenaar aan eiseres verzocht om uiterlijk op 24 juli 2025 te reageren. Bij het uitblijven van een reactie gaat de heffingsambtenaar ervan uit dat een hoorzitting niet noodzakelijk is. Eiseres heeft pas op 31 juli 2025, dat is dus na 24 juli 2025, gereageerd op de e-mail van de heffingsambtenaar. Van een hoorzitting is daarom afgezien, aldus de heffingsambtenaar
5.2.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voorafgaand aan het doen van de bestreden uitspraak op bezwaar van 31 juli 2025 eiseres ten onrechte niet heeft gehoord. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat eiseres in bezwaar niet is gehoord ondanks dat zij daartoe had verzocht. De heffingsambtenaar heeft tweemaal per e-mail (op respectievelijk 26 juni en 4 juli 2025) contact opgenomen met eiseres om een afspraak te maken voor een hoorzitting. In de e-mail van 4 juli 2025 heeft de heffingsambtenaar een fatale termijn gesteld voor het inplannen van een hoorzitting en heeft de heffingsambtenaar tevens vermeld ervan uit te gaan dat eiseres afstand doet van het recht om gehoord te worden indien zij niet voor de door de heffingsambtenaar gestelde termijn op de e-mail reageert. Eiseres heeft op de laatste e-mail van de heffingsambtenaar van 4 juli 2025 niet voor de door de heffingsambtenaar gestelde termijn van 24 juli 2025 gereageerd. De heffingsambtenaar had aan het uitblijven van een reactie van eiseres niet zonder meer mogen afleiden dat eiseres af zag van een hoorzitting. [1] Het uitblijven van een reactie binnen de gestelde termijn kan namelijk ook een andere oorzaak of andere reden hebben. De heffingsambtenaar had bij twijfel over de vraag of eiseres nog wenst gehoord te worden, daarover (nogmaals) contact moeten opnemen met eiseres. De heffingsambtenaar heeft dat niet gedaan. Daar komt bij dat de heffingsambtenaar in de e-mail van 4 juli 2025, op verzoek van eiseres, nog aanvullende informatie heeft bijgevoegd. Eiseres heeft in de bezwaarfase niet meer kunnen reageren op deze aanvullende informatie. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar eiseres onvoldoende gelegenheid heeft geboden om te worden gehoord. Dat betekent dat de hoorplicht is geschonden.
5.4.
In het belastingrecht geldt – in afwijking van de overige rechtsgebieden binnen het bestuursrecht – als uitgangspunt dat als ten onrechte van een hoorzitting in bezwaar is afgezien de rechtbank de uitspraak op bezwaar moet vernietigen en de zaak naar de heffingsambtenaar moet terugwijzen. De heffingsambtenaar moet dan eiseres in de gelegenheid stellen om alsnog te worden gehoord. Daarna moet de heffingsambtenaar vervolgens (opnieuw) uitspraak op bezwaar doen. [2]
5.5.
Een uitzondering op de zojuist vermeldde hoofdregel doet zich voor als eiseres door het niet houden van de hoorzitting niet is benadeeld. In dat geval kan de schending van de hoorplicht met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb worden gepasseerd. Eiseres is niet benadeeld als er tussen haar en de heffingsambtenaar geen meningsverschil is over de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan en de heffingsambtenaar ter zake geen beleidsvrijheid heeft. [3] Als zo’n uitzondering zich niet voordoet kan toch van terugwijzing naar de heffingsambtenaar worden afgezien als eiseres uitdrukkelijk wenst dat de rechtbank ondanks de schending van de hoorplicht door de heffingsambtenaar het beroep inhoudelijk behandelt. [4]
5.6.
De rechtbank is van oordeel dat dit geval zich er niet voor leent om met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb aan de schending van de hoorplicht voorbij te gaan. Er bestaat tussen partijen verschil van mening over de waardering van de van belang zijnde feiten, zodat het in de bezwaarfase horen van eiseres een functie kon hebben. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat eiseres door het achterwege blijven van de hoorzitting niet in haar belangen is geschaad. Bovendien heeft eiseres in de beroepsprocedure nadrukkelijk gevraagd om terugverwijzing naar de bezwaarfase. De uitspraak op bezwaar moet daarom worden vernietigd.
5.7.
Het beroep is dus gegrond. De rechtbank zal de zaak terugwijzen naar de heffingsambtenaar die opnieuw op het bezwaar moet beslissen, nadat hij eiseres alsnog in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
6. Eiseres heeft verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden als de rechtbank niet binnen twee jaar na de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend uitspraak doet. [5]
6.1.
De redelijke termijn is in deze zaak aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift op 19 februari 2025 door de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft op 31 juli 2025 uitspraak op het bezwaar gedaan. De rechtbank doet vandaag uitspraak. Er is dan ook geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Omdat de hoorplicht is geschonden, zal de rechtbank de bestreden uitspraak vernietigen. De rechtbank zal de zaak daarom terugverwijzen naar de heffingsambtenaar om opnieuw op het bezwaar te beslissen.
8. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht van
€ 385,- aan eiseres vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding van haar proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van
€ 934,- en een wegingsfactor 1).
8.1.
Gelet op artikel 30a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet WOZ, is voor de beroepsfase een vermenigvuldigingsfactor van 0,10 van toepassing. De rechtbank is niet gebleken dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering hierop rechtvaardigen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres namelijk niet aannemelijk gemaakt dat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad. [6] Nu geen sprake is van een bijzonder geval dient het bedrag van € 1868,- met een factor 0,10 vermenigvuldigd te worden. Dit leidt tot een kostenvergoeding in beroep van € 186,80.
8.2.
De gemachtigde van eiseres heeft beroep ingesteld omdat zij het niet eens is met de waarde van een drietal WOZ-objecten, waarvan dit beroep er een is. De waardes van de drie WOZ-objecten zijn met de beschikking van 25 februari 2025 vastgesteld en de heffingsambtenaar heeft in één uitspraak op bezwaar beslist op de bezwaarschriften van eiseres. De rechtbank doet vandaag uitspraak in dit beroep en de beroepen met zaaknummers 25/1960 en 25/1964. In alle beroepen is de rechtsbijstand verleend door dezelfde gemachtigde en de beroepen zijn gelijktijdig behandeld door de rechtbank. De gemachtigde van eiseres heeft in elke zaak nagenoeg dezelfde proceshandelingen verricht en stukken ingediend met vrijwel dezelfde inhoud, ook al gaan de beroepen inhoudelijk over verschillende WOZ-objecten. De beroepen zijn dus aan te merken als samenhangend in de zin van artikel 3 van Pro het Bpb. Omdat het minder dan vier beroepen zijn, is de wegingsfactor voor samenhang 1. Dit betekent dat voor deze drie beroepen gezamenlijk een proceskostenvergoeding van € 186,80 geldt. De vergoeding voor dit beroep bedraagt dan ook (afgerond) € 62,27 (€ 186,80 / 3).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;
- draagt de heffingsambtenaar op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw een uitspraak op het bezwaar van eiseres te doen;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 62,27 aan proceskosten voor de beroepsfase aan eiseres;
- draagt de heffingsambtenaar op het door eiseres betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.C. Veelenturf, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P. Kool, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad, 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:59 en Hoge Raad, 15 mei 2009, ECLI:NL:2009:BI3751.
2.Hoge Raad, 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751, Hoge Raad, 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:59 en Hoge Raad, 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:524.
3.Hoge Raad, 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495, Hoge Raad, 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:114, en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 23 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2358.
4.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 12 juli 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2937.
5.Arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
6.Hoge Raad, 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.