ECLI:NL:RBOBR:2026:515
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over onvoldoende motivering UWV bij vaststelling WIA-uitkering post covid klachten
Eiser, werkzaam als supervisor, lijdt aan het post covid syndroom en heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV wees de aanvraag aanvankelijk af, maar wijzigde later het besluit en kende een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 73,76%. Eiser betwistte dit en stelt dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en daarom recht heeft op een IVA-uitkering.
De rechtbank beoordeelde het medisch onderzoek en constateerde dat de verzekeringsartsen zorgvuldig te werk zijn gegaan, maar dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het niet alle door eiser bepleite beperkingen heeft overgenomen. Vooral de toelichting op de urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week is summier en onvoldoende onderbouwd, mede gelet op het dagverhaal van eiser en het standpunt van de bedrijfsarts.
Ook de arbeidsdeskundige beoordeling van de voorbeeldfuncties acht de rechtbank passend bij de vastgestelde functionele mogelijkhedenlijst (FML), maar als de FML wijzigt na herstel van de motiveringsgebreken, moet het UWV opnieuw beoordelen of de voorbeeldfuncties passend zijn.
De rechtbank verklaart het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en stelt het UWV in de gelegenheid binnen acht weken de motiveringsgebreken in het tweede besluit te herstellen. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak en bepaalt dat het UWV binnen twee weken moet melden of het gebruik maakt van deze herstelmogelijkheid.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het is uitgegaan van bepaalde beperkingen en geeft het UWV acht weken de tijd om dit te herstellen.