ECLI:NL:RBOBR:2026:651
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens langer verblijf in het buitenland
Eiser ontving sinds april 2023 een bijstandsuitkering en verbleef van 4 januari tot 18 februari 2025 in het buitenland. Hoewel hij ziek was en contact hield met zijn werkconsulent, overschreed hij de toegestane verblijfstermijn van vier weken buiten Nederland. Weener XL trok de uitkering over de periode 2 februari tot 18 februari 2025 in en vorderde € 816,88 terug.
Eiser maakte bezwaar en stelde dat zijn ziekte en onmogelijkheid om te vliegen de langere afwezigheid rechtvaardigden. De bezwaarschriftencommissie en het college verwierpen dit, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat artikel 13 lid 1 sub e van Pro de Participatiewet dwingendrechtelijk is en geen ruimte laat voor beoordeling van verwijtbaarheid of andere belangen.
De rechtbank stelde vast dat eiser inderdaad langer dan vier weken aaneengesloten in het buitenland verbleef en dat dit recht op bijstand uitsluit. Ook de door eiser aangevoerde dringende redenen werden niet als zodanig erkend. De terugvordering van de bijstand was daarom terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht werd niet teruggegeven en proceskosten werden niet vergoed.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens langer verblijf in het buitenland zonder dringende redenen.