Uitspraak
19 3973 PW
26 juli 2019, 19/648 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand sinds 2009 en verbleef in 2018 meerdere keren langer dan vier weken in het buitenland zonder dit te melden aan het college. Het college trok de bijstand over die periodes in en vorderde de kosten terug wegens schending van de inlichtingenplicht en het niet voldoen aan de verblijfsduurvereiste volgens de Participatiewet.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. Appellante stelde dat het college onvoldoende rekening hield met haar belangen, dat zij overspannen was en dat er sprake was van rechtsongelijkheid met WW-uitkeringsgerechtigden. Deze gronden faalden omdat de PW een vangnetvoorziening is met dwingendrechtelijke bepalingen die geen ruimte laten voor individuele belangenafweging bij verblijf langer dan vier weken buiten Nederland.
De Raad oordeelde dat appellante haar vertrek en verblijf in het buitenland niet heeft gemeld, waardoor zij haar objectieve inlichtingenplicht schond. De intrekking en terugvordering van de bijstand zijn daarmee terecht. Ook is geen sprake van schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens verblijf langer dan vier weken buiten Nederland worden bevestigd.