Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
wonende en zaakdoende te [vestigingsplaats] ,
Rechtbank Overijssel
Werknemer trad op 4 juli 2016 in dienst bij werkgever zonder geldig proeftijdbeding. Op 2 september 2016 werd zij ontslagen, waarbij werkgever stelde dat dit binnen de proeftijd viel. De kantonrechter oordeelde dat geen geldig proeftijdontslag bestond, omdat het beding niet was overeengekomen en er geen schriftelijke instemming was gegeven.
Werknemer berustte in het ontslag vanwege haar gezondheid en het advies van het UWV, en vorderde een billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW Pro, loon over de opzegtermijn en achterstallig salaris. De kantonrechter kende een billijke vergoeding van €1.500 bruto toe, gelijk aan het loon over de periode 2 september tot 1 november 2016, en het achterstallig salaris met wettelijke verhoging en rente.
De cao die werknemer aanvoerde was niet algemeen verbindend verklaard na 30 juni 2016, zodat het loon werd vastgesteld op het in de arbeidsovereenkomst opgenomen bruto uurloon van €8,80. Werkgever werd tevens veroordeeld tot het verstrekken van een deugdelijke loonstrook en betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
Uitkomst: Werkgever is veroordeeld tot betaling van billijke vergoeding, loon over opzegtermijn, achterstallig salaris, incassokosten en proceskosten wegens onregelmatig ontslag zonder geldig proeftijdbeding.