ECLI:NL:RBOVE:2019:5180
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak van mensenhandel wegens onvoldoende bewijs van uitbuiting
De rechtbank Overijssel behandelde een zaak tegen een 42-jarige vrouw die werd verdacht van mensenhandel met betrekking tot een Roemeense vrouw die in Nederland als prostituee werkte. De tenlastelegging betrof onder meer het werven, vervoeren en uitbuiten van het slachtoffer met het oog op seksuele uitbuiting.
Tijdens de zittingen werd vastgesteld dat de verdachte zelf als prostituee werkte onder bepaalde opbrengstverdelingen en zich pas later realiseerde dat zij mogelijk was uitgebuit. De officier van justitie eiste een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte wegens onvoldoende bewijs van dwang en uitbuiting.
De rechtbank oordeelde dat het dossier onvoldoende bewijs bevatte om het bestanddeel van uitbuiting aan te tonen, wat een impliciet vereiste is voor mensenhandel. De verklaringen van de verdachte en het ontbreken van overtuigend bewijs leidden tot vrijspraak van alle tenlastegelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van mensenhandel wegens onvoldoende bewijs van uitbuiting.