ECLI:NL:RBOVE:2020:395
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering toekenning algemene en bijzondere bijstand wegens ontbreken feitelijke verhuizing
Eiser vroeg op 30 oktober 2018 algemene en bijzondere bijstand aan bij de gemeente Rijssen-Holten, met vermelding dat hij vanaf die datum op een adres in Rijssen woonde. Hoewel hij in de Basisregistratie Personen (BRP) was ingeschreven, concludeerde de gemeente na onderzoek dat eiser feitelijk nog niet was verhuisd. Dit bleek uit huisbezoeken waarbij geen verhuisactiviteiten werden aangetroffen, het ontbreken van aansluitingen voor nutsvoorzieningen en het feit dat eiser nog bij zijn moeder in Nijmegen verbleef.
Eiser voerde aan dat hij noodgedwongen tijdelijk bij zijn moeder verbleef omdat zijn woning in Rijssen onbewoonbaar was en hij niet over de middelen beschikte om deze in te richten. De Commissie Bezwaarschriften vond dat eiser onvoldoende tijd en ruimte was gegund om zich te vestigen, maar de gemeente handhaafde het besluit tot afwijzing.
De rechtbank oordeelde dat het recht op bijstand afhankelijk is van de feitelijke woonplaats en dat inschrijving in de BRP niet doorslaggevend is. Gezien het ontbreken van concrete verhuisactiviteiten en het feit dat eiser nog niet daadwerkelijk in de gemeente verbleef, was de weigering terecht. Ook de stelling van eiser dat er dringende redenen waren om bijstand te verlenen werd verworpen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van algemene en bijzondere bijstand wordt ongegrond verklaard omdat eiser nog niet feitelijk woonde in de gemeente Rijssen-Holten.