Uitspraak
2 februari 2017, 15/4817 en 16/185 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende op 13 februari 2015 aanvragen in voor algemene en bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW), waarbij hij een postadres in de gemeente Utrecht opgaf. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht weigerde de bijstand omdat appellant sinds juni 2014 niet meer stond ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) van Utrecht en niet aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk woonplaats had in de gemeente.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij zich niet kon inschrijven in de BRP en dat artikel 16 PW Pro, dat bijzondere bijstand mogelijk maakt bij zeer dringende redenen, van toepassing zou zijn. De Raad oordeelde dat het recht op bijstand afhankelijk is van de feitelijke woonplaats en het centrum van het maatschappelijk leven, waarbij inschrijving in de BRP niet doorslaggevend is.
Appellant kon niet aantonen dat hij woonde op het opgegeven adres; de hoofdbewoner ontkende dit en appellant gebruikte het adres als postadres. Artikel 16 PW Pro is niet van toepassing omdat appellant niet behoort tot de groep personen die geen recht op bijstand heeft. Het beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt woonplaats te hebben in de gemeente Utrecht.